Deze regeling wordt opgeheven bij gelijkluidend besluit van de colleges en de burgemeesters van de gemeenten.
Opheffing en uittreding is behoudens bijzondere omstandigheden niet mogelijk in de eerste vijf jaar na het treffen van deze regeling. Van bijzondere omstandigheden is slechts sprake als hierover tussen de colleges en de burgemeesters van de gemeenten overeenstemming bestaat. Dit betekent dat de regeling op zijn vroegst per 1 januari 2024 opgeheven kan worden.
Indien een besluit tot opheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt genomen, geven de colleges van de gemeenten gezamenlijk een onafhankelijke registeraccountant opdracht om een opheffingsplan op te stellen. Daarnaast wijzen de colleges een extern adviseur aan om het proces te begeleiden op basis van een door de colleges gezamenlijk geformuleerde opdrachtformulering.
Het opheffingsplan, bedoeld in het derde lid, voorziet in ieder geval in de verplichtingen van de gastgemeente tot deelneming in de financiële en in de personele gevolgen van de opheffing.
Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan, bedoeld in het derde lid.
Een besluit tot uittreding door het college en de burgemeester van één der gemeenten leidt eveneens tot opheffing van de regeling. Een besluit tot uittreding door het college en de burgemeester van één der gemeenten wordt niet genomen dan nadat zij daartoe toestemming hebben verkregen van de raad, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.
Het besluit tot uittreding treedt in werking op 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het besluit tot uittreding is genomen. Het tweede tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Tot deze centrumregeling kunnen geen bestuursorganen van andere overheden dan de deelnemende gemeenten toetreden.
Hoofdstuk 7
Artikel 22
Uittreding, opheffing en toetreding
Onderdeel van Centrumregeling samenwerking Dantumadiel en Noardeast-Fryslân