Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 5.

Randvoorwaarden voor parken met collectoren voor warmteopwekking en/of panelen voor elektriciteitsopwekking op land

Onderdeel van Beleidsregels zon- en windenergie gemeente Hulst

5.1 . Zonneparken dienen te worden aangelegd in het buitengebied en/of op een bedrijventerrein; 5.2 . Zonneparken dienen in het buitengebied te worden aangelegd op of aangrenzend aan gronden die bestemd zijn voor infrastructuur, nutsvoorzieningen of bij stortplaatsen; 5.3 . Zonneparken mogen enkel worden aangelegd op gronden met een agrarische bestemming wanneer is aangetoond dat de locaties op bedrijventerreinen of genoemd in lid 5.2 reeds zijn ingevuld of niet voldoen aan de vraag; 5.4 . De verlening van de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een zonnepark op land leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen percelen; 5.5 . Zonneparken worden landschappelijk ingepast in de omgeving in samenspraak met een landschapsarchitect. De inpassing dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan de gemeente. De landschappelijke inpassing dient met opgaande streekeigen beplanting te worden aangelegd; 5.6 . Zonneparken worden gecombineerd met andere functies, bijvoorbeeld het creëren van extra flora en fauna, het plaatsen van bijenkasten ten behoeve van de bijenpopulatie of het laten grazen van vee; 5.7 . De omgeving dient vooraf te worden betrokken bij de plannen, zodat in samenspraak met de bewoners de locatie met het grootste draagvlak kan worden gekozen; 5.8 . Inwoners van de gemeente Hulst moeten de mogelijkheid te hebben om te participeren en te investeren in het zonnepark. Dit moet duidelijk kenbaar worden gemaakt;

Rechtspraak bij dit artikel