Aflossing van de geldlening vindt plaats gedurende ten hoogste tien jaar zonder renteberekening.
De aflossing vangt aan op het moment van beëindiging van de bijstandsverlening en vindt maandelijks plaats.
Het maandbedrag van de aflossing wordt telkens voor een periode van een jaar vastgesteld.
Bij een inkomen dat niet uitgaat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 3 Participatiewet, wordt geen aflossing gevergd.
Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven stellen burgemeester en wethouders, zo nodig tussentijds, het maandbedrag van de aflossing op een lager dan wel hoger bedrag vast.
Bij de beoordeling van de omstandigheden als bedoeld in het vijfde lid wordt rekening gehouden met noodzakelijke, voor eigen rekening van belanghebbende komende bijzondere bestaanskosten. Deze kosten worden in mindering gebracht op het inkomen.
Indien belanghebbende tijdens de aflossingsperiode van tien jaar schuldig nalatig is in het voldoen van de vastgestelde aflossing, is het nog niet afgeloste deel van de geldlening terstond opeisbaar en is daarover tevens de wettelijke rente verschuldigd.
HOOFDSTUK 5
Artikel 24
Aflossing eerste tien jaar
Onderdeel van Beleidsregel terug- en invordering, verhaal en krediethypotheek Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Goeree-Overflakkee