Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Werkwijze en beoordeling

Onderdeel van Gemeente Bergeijk - Beleid Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0

Nu enerzijds de conclusie is dat het belangrijk en noodzakelijk is om volksgezondheid zorgvuldig mee te nemen in de besluitvorming op het gebied van milieu en de ruimtelijke ordening, maar anderzijds de huidige wetgeving hier nog onvoldoende rekening mee houdt, is de vervolgvraag hoe? Hoe kunnen lokale overheden als de provincie, gemeenten en omgevingsdiensten volksgezondheid volwaardig, maar ook op een praktische en objectieve wijze in de besluitvorming meenemen? Om de risico’s voor de volksgezondheid zoveel mogelijk te beperken dient er hierover een zorgvuldige afweging plaats te vinden bij: de besluitvorming in het kader van een ruimtelijke procedure om af te wijken van een bestaand bestemmingsplan (bijvoorbeeld via een Wabo-afwijkingsvergunning, een projectbesluit of een bestemmingsplanherziening); een aanvraag om een Wabo-vergunning onderdeel milieu; een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) met name een OBM-mer. In deze update van de handreiking is het stappenplan waarmee besloten kan worden of een beoordeling of advisering door de GGD gewenst is, aangepast ten opzichte van de eerdere versie. Daar waar een vergunningaanvraag niet voldoet aan de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en/of gemeentelijke (geur)verordening en/of Wet milieubeheer, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen (fijn stof) en/of de Verordening ruimte 2014, hoeft het stappenplan niet doorlopen te worden. Immers vergunning verlening is dan niet mogelijk. De volgende aspecten worden in het hierna volgende stroomschema (zie ‘Stappenplan 2.0’) meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is: voor varkens en pluimveebedrijven: endotoxine richtafstand (= afstand waarbinnen naar alle waarschijnlijkheid de gezondheidskundige advieswaarde voor endotoxine wordt overschreden); wijzigingen in emissies van geur en/of fijn stof en/of ammoniak; de wijze waarop met geurbelasting wordt omgegaan voor een aanvaardbaar woon-/leefklimaat; bij meerdere bedrijfsmatig gehouden diersoorten, de aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij; geitenhouderij binnen een straal van 2 kilometer van een gevoelige bestemming; of pluimveebedrijven binnen een straal van 1 kilometer van een gevoelige bestemming; of overige veehouderijen binnen een straal van 250 meter liggen woon- of verblijfsruimten van derden de aanwezigheid van mestbe- en verwerking; ongerustheid bij omwonenden. Deze aspecten zijn verwerkt in het hierna volgende stappenplan.

Rechtspraak bij dit artikel