De endotoxine ‘richtafstand’ tussen een veehouderij en gevoelige bestemming (alleen voor varkens- en pluimveehouderijen)
Endotoxinen zijn vanuit gezondheid bezien een betere parameter dan fijnstof (PM10) omdat endotoxinen een betere voorspellende waarde hebben om gezondheidseffecten te duiden. De blootstelling aan endotoxine (gebonden aan stofdeeltjes) heeft een directe relatie met de in het VGO-onderzoek aangetoonde negatieve effecten op de luchtwegen en de verlaagde longfunctie rond veehouderijbedrijven[13].
Door de Gezondheidsraad is een advieswaarde van 30 EU/m3 voorgesteld[14], welke door de GGD en het Ondersteuningsteam is overgenomen. Uit het onderzoek van Ogink et al. (2016) blijkt dat tot 500 meter rondom individuele pluimveebedrijven een overschrijding mogelijk is van deze advieswaarde. Dit betekent dat wanneer omwonenden in een straal van 500 meter van een pluimveehouderij wonen, zij door de huidige geur- en fijnstofnormen onvoldoende beschermd kunnen worden tegen een verhoogd risico door endotoxinen.
Bij individuele varkenshouderijen is deze overschrijding tot op een afstand van ca. 200 meter mogelijk. De geur- en fijnstofnormen zijn doorgaans voldoende om een overschrijding van de endotoxine advieswaarde te voorkomen. Het is echter wel voor te stellen dat in vee-dichte gebieden door cumulatie een hoge blootstelling aan fijnstof c.q. endotoxinen mogelijk is, zodat ook voor individuele varkenshouderijen de afstandsnorm wordt toegepast.
De fijnstof emissie van andere veehouderijsectoren is voor zover bekend relatief laag. Daarom verwacht het Ondersteuningsteam[15] dat de bijdrage van dit type veehouderijbedrijven aan een overschrijding van de endotoxinenorm beperkt zal zijn en kan direct door worden gegaan naar stap 2.
Op dit moment ontbreekt het nog aan wettelijk instrumentarium om de endotoxinen-concentratie voor veehouderijen te toetsen. Door het Ondersteuningsteam is een toetsingskader ontwikkeld om voor varkens en pluimvee aan de hand van de fijnstofemissie de minimale afstand (richtafstand), op basis van de endotoxine advieswaarde van de Gezondheidsraad, te berekenen. Binnen deze afstand ligt de berekende endotoxine concentratie boven de 30 EU/m3. Indien niet voldaan wordt aan het endotoxine-toetsingskader wordt de gemeente geadviseerd een gesprek met de ondernemer aan te gaan, waarbij de GGD aanwezig kan zijn om nadere toelichting over gezondheid te geven.
Voor andere diersoorten is een dergelijke berekening nog niet mogelijk. Het advies aan de gemeente is om de nieuwe ontwikkelingen op dit onderwerp voor alle diersoorten te volgen en deze zodra mogelijk te implementeren in het eigen gemeentelijk beleid.
[13] Ogink, N., Erbrink, J. J., Heederik, D. J. J., Winkel, A., & Wouters, I. M. (2016). Emissies van endotoxinen uit de veehouderij: emissiemetingen en verspreidingsmodellering (No. 959). Wageningen UR, Livestock Research.
[14] advies van de Gezondheidsraad “Gezondheidsrisico’s bij veehouderijen” d.d. 30/11/2012
[15] Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid (2016). Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0. Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO).
Toename in de emissie voor geur, fijnstof en ammoniak
Uit het VGO onderzoek komt naar voren dat diverse gezondheidseffecten gerelateerd lijken te zijn aan de blootstelling van omwonenden aan de emissie van fijnstof, micro-organismen en ammoniak (via de bijdrage aan secundair fijn stof) afkomstig van veehouderijen. Indien sprake is van een toename van de emissie van 1 of meerdere parameters, is dit in principe vanuit het streven naar omgevingsbewust handelen en zorgvuldige veehouderij geen gewenste situatie. In deze situaties kan de GGD om advies gevraagd worden.
Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan
Wettelijke uitgangspunten
Op grond van de Wgv en de Vr2014 kan bij een ontwikkeling sprake blijven van een overbelaste geursituatie. Indien op grond van de ontwikkeling, met gebruik van de 50% regeling uit de Wgv of het Activiteitenbesluit milieubeheer (voorgrond) en/of de proportionele afname uit de Vr2014 (achtergrond), sprake blijft van een overbelasting voor wat betreft geur dan wordt een locatie-specifiek advies door de GGD geadviseerd. Uitgangspunt is dat er geen sprake is of blijft van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond of achtergrond).
Bij de wettelijke beoordeling van de geurbelasting wordt gebruik gemaakt van de geurnormen welke zijn opgenomen in artikel 3 van de Wet Geurhinder Veehouderij (Wgv). Dit zijn de waarden 2 (woonkern) en 8 (buitengebied) ouE/m3 voor een niet-concentratiegebied en 3 (woonkern) en 14 (buitengebied) ouE/m3 voor een concentratiegebied. Bijlage 6-7 uit de Handreiking Wet Geurhinder Veehouderijen (Wgv), waaraan het PRA-onderzoek ten grondslag ligt, kunnen worden gebruikt door gemeenten bij het opstellen van het eigen beleid, en zijn behulpzaam bij het beoordelen of de geurhinder 'past bij de doelstellingen voor het gebied' en of de mate van geurhinder acceptabel wordt geacht. Hiermee wordt de relatie tussen geurhinder en de voorgrond- en achtergrondbelasting in ouE/m3 bepaald zoals in onderstaande tabel is weergegeven.
Tabel 2: Relatie tussen geurhinder en voorgrond- en achtergrondbelasting volgens bijlage 6-7 van de Handreiking Wgv
Gezondheidskundige uitgangspunten
Naast een toets op sec de wettelijke aspecten kan ook gekozen worden voor een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. Toetsing vindt dan plaats aan de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarde. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015) op dit moment het best beschikbare beeld van de relatie tussen achtergrondbelasting geur van veehouderij en mate van (ernstige) geurhinder geeft, omdat dit onderzoek het meest recent is uitgevoerd en er een grotere populatie gebruikt is. Bij de beoordeling van de geurbelasting hanteert de GGD eveneens het uitganspunt dat maximaal 12% (woonkern) en 20% (buitengebied) geurgehinderd mag zijn.
De op grond van het onderzoek van Geelen hierbij behorende geurbelasting is weliswaar niet juridisch houdbaar - tenzij opgenomen in het eigen gemeentelijke beleid - maar kan wel gebruikt worden in de dialoog met de ondernemer om te komen tot een (meer) omgevingsbewust ondernemen.
Tabel 3: Relatie tussen geurhinder en voorgrond- en achtergrondbelasting op basis van Onderzoek Geelen et al.
*De blootstelling-responsrelatie voor voorgrond dient naar mening van de GGD ook ge-update te worden. Op dit moment hanteert de GGD voor de voorgrondgeurbelasting de waarden zoals die uit bijlage 6-7 van de handreiking kunnen worden herleid voor een niet-concentratie gebied. De GGD is van mening dat een onderscheid tussen concentratie en niet-concentratiegebied niet relevant is. Door het ontbreken van nieuw wetenschappelijk onderzoek naar de blootstellingrespons relatie voor de voorgrond, wordt voor de voorgrond teruggegrepen naar de resultaten van het PRA onderzoek. Dit betekent dat de gezondheidskundige advieswaarde door de GGD landelijk wordt gesteld op 2 resp. 5 OU/m3 voor de voorgrond.
Dieren zonder emissiefactor
Voor een aantal diersoorten is er geen wettelijke geuremissiefactor vastgesteld. Bij ontwikkelingen met dieren zonder (wettelijke) emissiefactor wordt een afstandscriterium gehanteerd. Wanneer de afstand vanaf de rand van een bedrijf tot de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming kleiner is dan 100 meter (in een kern), 50 meter (in het buitengebied) of de in het gemeentelijk beleid genoemde afstand wordt niet aan de wettelijke normen voldaan en wordt geadviseerd advies op te vragen bij de GGD.
Door de GGD wordt als gezondheidskundige advieswaarde een afstand van minstens 100 meter tot de dichtstbijzijnde gevoelige bestemming aangehouden, conform de norm uit de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. Wanneer sprake is van een groot aantal dieren, wordt voorgesteld de afstand navenant te vergroten (staffeling).
Evaluatie Wgv
De Wet Geurhinder en Veehouderij is geëvalueerd door een werkgroep met vertegenwoordigers van VNG, IPO, LTO, GGD, milieufederaties en burgergroeperingen. Deze hebben erop aangedrongen dat de wet- en regelgeving burgers meer moet beschermen tegen vermijdbare blootstelling aan geur[16]. In een beleidsreactie van staatsecretaris Dijksma op 1 juni 2017 laat zij weten dat geur, in tegenstelling tot de conclusies van de werkgroep, moet worden gezien als een lokaal probleem, en dat daarvoor lokale normen moeten worden gesteld en geen landelijk, samenhangend, toetsingskader[17]. Ook heeft staatssecretaris Dijksma aangegeven dat er, ondanks de grote onverklaarbare verschillen in de meest recente onderzoeken naar geurbelasting van omwonenden, geen nieuw onderzoek nodig wordt geacht vanwege de grote lokale verschillen. De Rijksoverheid legt hiermee de kritiek op het bestaande stelsel van geurnormering én het advies van de bestuurlijke werkgroep naast zich neer. De verantwoordelijkheid voor het vaststellen van een passende norm wordt teruggelegd bij de lokale gemeente die daar zelf lokaal onderzoek naar moet doen.
In de uitspraak nr. 201605951/1/A1 d.d. 13 september 2017 oordeelt de Raad van State dat bij de beoordeling of wordt voldaan aan de eis voor cumulatieve geurhinder uit de verordening ruimte, nog steeds uitgegaan mag worden van de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij geur, bijlage 6. In deze bijlage zijn op basis van het PRA-onderzoek hinderpercentages opgenomen.
De Raad van State komt tot deze conclusie omdat zij vaststelt dat er geen documenten beschikbaar zijn, waaruit blijkt dat de handreiking niet langer kon of mocht worden gebruikt of waarin nieuwe inzichten omtrent de aanvaardbaarheid van geurhinder zijn opgenomen. Ook het GGD-onderzoek doet dit niet stelt de Raad, waarbij wordt verwezen naar de aanbiedingsbrief bij het GGD-onderzoek. In de brief concludeert de GGD zelf dat geen eenduidig advies kan worden gegeven over hoe de onderzoeksresultaten kunnen worden gebruikt bij vergunningverlening of het opstellen van een geurgebiedsvisie of geurverordening. In deze casus kon de gemeente zich dus terecht op het standpunt stellen dat er bij het nemen van het besluit nog onvoldoende aanleiding bestond om de geurgehinderdenpercentages en bijbehorende indelingen in het leefklimaat van de Handreiking los te laten.
[16] Bestuurlijke werkgroep evaluatie regelgeving geurhinder door veehouderijen (Oktober 2016). Eindadvies werkgroep evaluatie geurregelgeving veehouderij. Geraadpleegd van: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2017/06/01/eindadvies-werkgroep-evaluatie-geurregelgeving-veehouderij
[17] Dijksma (2017, 1 juni). Beleidsreactie op eindadvies bestuurlijke werkgroep evaluatie geurregelgeving veehouderij [Kamerbrief].
De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij
De soort landbouwhuisdieren dat wordt gehouden en ook de combinatie van te houden dieren kan van invloed zijn op het eventuele risico voor de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een mogelijk verhoogde infectiedruk en het risico van vermenging bacteriën of virussen. Indien er sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) of kleine herkauwers onderling dan is advisering vanuit de GGD wenselijk in hoeverre dit voor wat betreft volksgezondheid verantwoord is. Nieuwe situaties van het gemengd houden van varkens en pluimvee zijn vanuit volksgezondheid niet gewenst.
Het voorgaande kan ook gelden als een varkensbedrijf en pluimveebedrijf erg dicht bij elkaar liggen. Ondanks de huidige wetenschappelijke inzichten dat influenza over grotere afstanden kan worden verspreid tussen veehouderijen, wordt hier als minimaal gewenste onderlinge afstand indicatief gedacht aan een afstand van 100 meter tussen de inrichtingsgrenzen van dergelijke veehouderijen.
Geitenbedrijf: binnen 2 kilometer afstand staan woon- of verblijfsruimten van derden.
Pluimveebedrijven: binnen een afstand van 1 kilometer liggen woon- of verblijfsruimten van derden
Overige veehouderijen: binnen afstand van 250 meter ligt een bebouwde kom
Algemeen
Idealiter verplaatsen (intensieve) veehouderijbedrijven zich in een afwaartse beweging, weg van dorpskernen. In oktober 2011 is daarom door GGD Nederland het standpunt naar buiten gebracht dat bij planontwikkeling (nieuwe huizen/gevoelige bestemmingen of nieuwe veehouderijen) bij voorkeur een afstand van minimaal 250 meter aangehouden wordt tussen veehouderijen en een bebouwde kom of gevoelige bestemmingen (inclusief burgerwoningen). Hetzelfde geldt voor een specifieke gevoelige bestemming als bijvoorbeeld een kinderdagverblijf. Dit om nieuwe knelpunten en overbelaste situaties te voorkomen.
Dit afstandsadvies is destijds onderbouwd met uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat er tot een afstand van 250 meter verhoogde blootstelling is ten opzichte van achtergrondniveaus aan fijn stof, endotoxinen en zoönosen.
VGO-2 resultaten.
Naar aanleiding van de meest recente bevindingen uit het VGO-2 rapport (2017), waaruit blijkt dat er in een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogde incidentie longontstekingen wordt gevonden, is de minimale afstand tussen geitenhouderijen en gevoelige bestemmingen (inclusief burgerwoningen) vergroot naar 2 kilometer. Het voorzorgsprincipe dient hier leidend te zijn gezien het feit dat er geen enkele bron-effect relatie kan worden beschreven tussen de verhoogde longontsteking incidentie en de uitstoot vanuit de geitenhouderijen.
Ook voor pluimveehouderijen is een dergelijke afstand te benoemen. Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt namelijk dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. In het onderzoek van Smit et al. (2017) wordt gesuggereerd dat dit samen zou kunnen hangen met een blootstelling aan fijnstof en endotoxinen, die van invloed zijn op het microbioom in de bovenste luchtwegen van omwonenden. Echter moet worden benadrukt dat het hier om een hypothese gaat, en dat causaliteit nog niet door onderzoekers is vastgesteld[18]. Met deze onderzoeksresultaten dient rekening te worden gehouden bij de ontwikkeling en uitbreiding van pluimveehouderijen of de bouw van gevoelige bestemmingen in de nabijheid van pluimveehouderijen.
Indien een ontwikkeling op kortere afstand ligt dan 250 meter van een bebouwde kom, is het advies een aanvullende risicobeoordeling uit te voeren, bijvoorbeeld met behulp van het Aanvullend Toetsingsinstrument, waarbij specifiek gekeken wordt naar de haalbaarheid van maatregelen in verhouding tot het aantal blootgestelde omwonenden.
NB. Op het moment van verschijnen van de aangepast versie geldt op basis van de Verordening ruimte een moratorium voor nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen bij geitenhouderij. Het is wel mogelijk dat een geitenhouderij binnen bestaande gebouwen het dieraantal uitbreidt. In dat geval is het stappenplan van toepassing. Daarnaast is het moratorium tijdelijk in afwachting van meer duidelijkheid over de oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking voor omwonenden van geitenhouderijen.
[18] Smit, L. A., Boender, G. J., de Steenhuijsen Piters, W. A., Hagenaars, T. J., Huijskens, E. G., Rossen, J. W., ... & Bogaert, D. (2017). Increased risk of pneumonia in residents living near poultry farms: does the upper respiratory tract microbiota play a role?. Pneumonia, 9(1), 3.
De aanwezigheid van mestbe- of verwerking (verder mestbewerking)
Bij een veehouderij kan mestbewerking als nevenactiviteit bij het houden van de dieren aan de orde zijn. Maar het kan ook een op zichzelf staande activiteit betreffen, waar mest van meerdere veehouderijen wordt bewerkt. Bij mestbewerking zijn verschillende manieren van bewerking mogelijk met elk hun eigen processen en daarmee gepaard gaande gevolgen voor de omgeving. Maar juist over deze gevolgen is vaak nog maar beperkt kennis beschikbaar. De zorgen die spelen bij omwonenden van veehouderijen spelen daardoor over het algemeen in nog sterkere mate voor mestbewerking. Temeer als dit mestbewerking voor meerdere veehouderijen samen betreft en daarmee ook een grote omvang heeft. Daarom is in alle gevallen van gezamenlijke mestbewerking waarbij niet wordt voldaan aan de beleidsregel van de provincie (en uitgezonderd bewerking op bedrijfsniveau) een GGD advies wenselijk.
Ongerustheid bij omwonenden
Indien er rond een veehouderij veel ongerustheid bestaat over het aspect volksgezondheid (gerelateerd aan de betreffende veehouderij of meerdere veehouderijen in de omgeving), dan is een advies vanuit de GGD wenselijk. Ongeacht of aan alle hiervoor opgesomde onderdelen wordt voldaan, dan wel dat deze niet aan de orde zijn. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of er sprake is van een dusdanige ongerustheid dat advisering vanuit de GGD noodzakelijk is.
Het vroegtijdig opzetten van een dialoog rondom de vergunningverlening tussen de vergunningsaanvrager en de omwonenden van de te vergunnen locatie kan helpen in het peilen van de ongerustheid in de omgeving. Daarnaast kan deze dialoog dé mogelijkheid zijn om de ongerustheid al grotendeels weg te nemen en omwonenden te informeren. Een onpartijdige gespreksleider kan helpen om een dergelijk dialoog constructief op te zetten en alle aspecten van een goed dialoog aan bod te laten komen. De eigenschappen van een goed dialoog kunnen worden gevonden op de webpagina van het kennisplatform veehouderij en humane gezondheid[19].
Als uit de toetsing aan de afwegingsaspecten blijkt dat er geen specifieke omstandigheden aan de orde zijn, dan wordt door het bevoegd gezag geen advies opgevraagd bij de GGD.
[19] Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid – Kennisbericht “Maatschappelijk Dialoog”. Geraadpleegd van: http://www.kennisplatformveehouderij.nl/Thema_s/Maatschappelijke_dialoog:273307
Artikel 4
Afwegingsaspecten
Onderdeel van Gemeente Bergeijk - Beleid Handreiking Veehouderij en Volksgezondheid 2.0