In deze verordening wordt verstaan onder:
haven: alle bevaarbare wateren van de gemeente met uitzondering van de Binnenhaven en de Passantenhaven;
Binnenhaven: het water, omsloten door de straten Smalle Haven, Brede Haven, Visstraat en Zuid-Willemsvaart, met uitzondering van het gedeelte zoals genoemd in lid 3, sub b;
De Passantenhaven bestaat uit:
het water, grenzende aan de Buitenhaven en gelegen tussen de Wilhelminabrug en de Draaibrug en gerekend vanaf de kademuur aan de Buitenhaven tot 20 meter uit de kant;
het water, grenzende aan de Brede Haven en de Boombrug en gerekend vanaf de Boombrug tot een lengte van 60 meter en gerekend vanaf de Brede Haven tot 10 meter uit de kant.
vaartuigen: elk voorwerp, niet zijnde woonschepen, dienende tot vervoer te water, met inbegrip van houtvlotten en botenhuizen, tenzij het tegendeel blijkt;
woonschepen: vaartuigen, uitsluitend of in hoofdzaak gebezigd als, of die te oordelen naar hun constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn tot, dag- of nachtverblijf van een of meer personen;
waterverplaatsing: de in volume uitgedrukte waterverplaatsing van een vaartuig tussen het vlak van de grootste toegelaten diepgang en het vlak van inzinking van het ledige vaartuig, volgens de geldige meetbrief.
Bij gebreke van een geldige meetbrief of weigering om deze te tonen, wordt de waterverplaatsing vastgesteld door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar en wordt het recht naar de uitkomst daarvan geheven.
Artikel 1