Naar hoofdinhoud
1.. Aan de directeur wordt mandaat verleend ten aanzien van de tot het college en de burgemeester behorende aangelegenheden. 2.. Aan het college en de burgemeester blijft voorbehouden de bevoegdheid tot het nemen van beslissingen die zijn neergelegd in een document, gericht tot: de raad; de Koning en andere leden van het Koninklijk Huis; (bestuurs)organen van waterschap, provincie of rijk. Onverminderd het gestelde in het eerste lid blijven aan het college en de burgemeester voorbehouden de bevoegdheden als genoemd in bijlage 1. Het college en de burgemeester zijn bevoegd om mandaten die op grond van dit artikel zijn verleend, geheel of gedeeltelijk en al dan niet tijdelijk, in te trekken.

Rechtspraak bij dit artikel