Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 2:28

Exploitatie openbare inrichting

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2014 incl. 1e en 2e wijziging

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder of in afwijking van de vergunning van de burgemeester. De burgemeester kan soorten openbare inrichtingen aanwijzen waarvoor het verbod van het eerste lid niet geldt. De burgemeester kan een nadere termijn bepalen gedurende welke het verbod van lid 1 uitsluitend geldt voor openbare inrichtingen die niet beschikken over een vergunning conform artikel 3 van de Drank en Horecawet. De burgemeester kan voorschriften verbinden aan de exploitatievergunning. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat ten minste één van de op de vergunning vermelde exploitanten, beheerders of leidinggevenden in de inrichting aanwezig zijn. In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld: personalia en het adres van de exploitant en de beheerder; adres en de aard en exploitatiewijze van de inrichting; personalia en het adres van de leidinggevenden; nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting. De burgemeester weigert de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk indien één of meer van de exploitanten, beheerders of leidinggevenden niet voldoen aan de volgende eisen: zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn; zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt. De burgemeester weigert de vergunning volledig: indien voor de exploitatie of vestiging van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Drank- en Horecawet is vereist en deze vergunning is geweigerd; indien de openbare orde en/of veiligheid ter plaatse door de aanwezigheid van de openbare inrichting in gevaar komt; indien de woon en/of leefomgeving op onaanvaardbare wijze negatief zal worden beïnvloed; indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming is met de ingediende aanvraag; in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; De burgemeester kan de exploitatievergunning weigeren indien de termijn zoals bedoeld in het twaalfde lid nog niet is verstreken. De vergunning wordt door de burgemeester ingetrokken indien: deze is verleend op grond van door de exploitant verstrekte onjuiste of onvolledige informatie en een ander besluit op de aanvraag zou zijn genomen indien bij het nemen daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; een exploitant niet langer voldoet aan de eisen, zoals die zijn vermeld in het zevende lid; zich in of in de nabijheid van de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan, die- naar het oordeel van de burgemeester – de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, de veiligheid, de volksgezondheid, het woon- en leefklimaat of de zedelijkheid; voor de exploitatie van een openbare inrichting tevens een vergunning op basis van de Drank- en Horecawet is vereist en deze vergunning is ingetrokken. De vergunning kan door de burgemeester worden ingetrokken indien: gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen; het bij het vijfde lid gestelde verbod wordt overtreden. Ten aanzien van een openbare inrichting waarvan de exploitatievergunningen ingevolge het tiende lid, onder c wordt ingetrokken, kan tevens worden bepaald dat een exploitatievergunning voor de desbetreffende locatie gedurende een bepaalde termijn van maximaal vijf jaar zal worden geweigerd. De exploitatievergunning vervalt wanneer: De exploitatie van het bedrijf feitelijk is beëindigd of (gedeeltelijk) overgedragen; Zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze vergunning gebruik is gemaakt; Gedurende zes maanden anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning. De burgemeester stelt een uitvoeringsplan op in het kader van het overgangsrecht. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.

Rechtspraak bij dit artikel