Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Termijn commissielidmaatschap en voorzitterschap

Onderdeel van Raadscommissieverordening 2004

1. Het commissielidmaatschap en voorzitterschap eindigen uiterlijk bij einde van de zittings-periode van de raad. 2. Een commissielid, raadslid zijnde, dat tussentijds ophoudt lid van de raad te zijn, verliest ook zijn lidmaatschap van de raadscommissie en – zo van toepassing – zijn hoedanigheid van voorzitter. Het voorzitterschap eindigt bovendien bij verlies van het lidmaatschap, of plaatsvervangend lidmaatschap, van het presidium. 3. Een burgerlid verliest tussentijds – en, tenzij uit een hierna bedoeld schriftelijk bericht anders blijkt, met onmiddellijke ingang - zijn commissielidmaatschap: -. wanneer hij zelf schriftelijk kenbaar maakt het commissielidmaatschap tussentijds te willen beëindigen; of -. wanneer hij niet meer voldoet aan de wettelijke vereisten voor een lidmaatschap van de raad; of -. wanneer de gemeenteraadsfractie, die hem heeft voorgedragen, aan de raad schriftelijk mededeelt, dat zij zijn burgerlidmaatschap tussentijds als beëindigd wil zien; -. wanneer hij naar het oordeel van de raad niet of ongenoegzaam als commissielid functioneert of kan functioneren.

Rechtspraak bij dit artikel