Naar hoofdinhoud
1.. Voor de mogelijke oninbaarheid van vorderingen, wordt een voorziening gevormd. 2.. De voorziening dubieuze debiteuren, behoudens de voorziening dubieuze belastingdebiteuren (zie lid 3), wordt bepaald volgens de methode, waarbij iedere vordering (of groep van vorderingen) afzonderlijk op oninbaarheid wordt beoordeeld. 3.. De hoogte van de voorziening dubieuze belastingdebiteuren wordt bepaald door het historisch gemiddelde percentage oninbaarheid (uit de 3 laatst vastgestelde jaarrekeningen), te vermenigvuldigen met het saldo van de openstaande belastingdebiteuren aan het einde van het jaar.

Rechtspraak bij dit artikel