1. Het recht bedoeld in artikel 13 bedraagt per jaar:
a.
voor los- en laadbruggen
€
16,35
per strekkende meter kademuur, met als minimum
€
80,15
b.
voor elke hijskraan met bijbehorende werken
€
418,70
c.
voor vergaarputten op bakken per stuk
€
20,40
en voor daarbij behorende buisleidingen
€
8,20
per strekkende meter, met een minimum voor de
putten of bakken en buisleidingen tezamen van
€
80,15
d.
voor andere toestellen, werken of inrichtingen:
indien de kaden of de gemeentelijke aanlegplaatsen
tot geen grotere diepte dan 9 meter in gebruik
worden genomen
€
16,35
per vierkante meter met een minimum van
€
80,15
en
€
141,85
per strekkende meter kademuur met een minimum van
€
726,20
bij ingebruikname van een grotere diepte dan 9 meter;
e.
voor vaartuigen, waarop inrichtingen ten behoeve
van het laden en lossen van andere vaartuigen zijn
zijn aangebracht per vaartuig
€
246,15
2. Voor verplaatsbare toestellen is het in dit artikel bepaalde recht voor elk toestel slechts eenmaal per jaar verschuldigd.
3. Bij de berekening van het verschuldigde bedrag worden gedeelten van een m², respectievelijk van een strekkende meter voor een hele m² respectievelijk hele strekkende meter gehouden.
Artikel 14.
Tarieven
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van scheepvaartrechten 2019