Als een vergunning, als bedoeld in artikel 4 van de Parkeerverordening 2018, wordt ingetrokken of vervalt, wordt ontheffing van de ter zake verschuldigde parkeerbelasting verleend over de nog niet aangevangen kalendermaanden waarop de vergunning betrekking heeft.
Indien als gevolg van maatregelen door of met instemming van het college de vergunninghouder over een gedeelte van het tijdvak waarvoor de parkeervergunning geldt, geen gebruik kan maken van de parkeervergunning, wordt ontheffing van de parkeerbelasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, verleend over het aantal volle kalendermaanden waarin dat gebruik niet mogelijk is geweest.
Over aanslagbedragen welke op jaarbasis lager zijn dan € 10,00 wordt geen ontheffing op basis van het voorgaande lid verleend.
Artikel 11
Nadere bepalingen inzake vergunningen
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van parkeergelden 2019