1. De belasting wordt geheven van:
a. degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom,
bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge
de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van
huishoudelijke afvalstoffen geldt;
b. degene op wiens aanvraag afval wordt opgehaald;
c. degene die afvalstoffen achterlaat op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats.
2. Voor de toepassing van het eerste lid, sub a, wordt:
a. gebruikmaken van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruikmaken door
het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde
gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
b. gebruikmaken door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als
gebruikmaken door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven, met dien verstande dat degene die
dat deel in gebruik heeft gegeven, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie dat
deel in gebruik is gegeven;
c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruikmaken door
degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld, met dien verstande dat degene die het perceel
ter beschikking heeft gesteld, bevoegd is de heffing als zodanig te verhalen op degene aan wie het
perceel ter beschikking is gesteld.
Artikel 3
Belastingplicht
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2019