Naar hoofdinhoud
1.. Het horen van jeugdigen als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet die belanghebbende zijn bij een procedure die voortvloeit uit de Jeugdwet gebeurt door een deskundige. Dit kan een persoon zijn die geen lid is van de commissie. 2.. De deskundige is aantoonbaar gekwalificeerd voor het horen van jeugdigen. 3.. Bij het horen van de jeugdige is geen ander persoon aanwezig dan degene die hoort en de jeugdige die wordt gehoord; de jeugdige kan zich laten bijstaan. 4.. Het horen gebeurt nadat de jeugdige op correcte wijze is geïnformeerd over de procedure en zoveel mogelijk op zijn of haar gemak is gesteld. 5.. De deskundige brengt een schriftelijk verslag uit aan de commissie. 6.. Het verslag van het horen is primair bestemd voor de voorzitter en de leden van de commissie. 7.. De jeugdige bepaalt of het verslag dat van het horen wordt gemaakt naar de ouders/verzorgers of andere instanties gaat of niet. De jeugdige krijgt voldoende tijd om het verslag te bestuderen. 8.. De artikelen 11 en 12, eerste lid van deze verordening zijn op het horen van jeugdigen niet van toepassing. 9.. De voorzitter kan buiten de in het eerste lid genoemde geval, dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaren op het horen van jeugdige belanghebbenden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel