Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 2

Artikel 8

Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2019 (reinigingsheffingen)

1.. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.. De belasting bedoeld in hoofdstukken 2 tot en met 4 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening. 3.. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle etmalen overblijven. 4.. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat voor de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel aanspraak op ontheffing voor zoveel driehonderdvijfenzestigste gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle etmalen overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder dan € 5,00 bedraagt. 5.. Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige in de loop van het belastingjaar het gebruik van een perceel beëindigt en direct aansluitend het gebruik van een ander perceel, dat eveneens in de gemeente ligt, heeft. 6.. Indien de belastingplicht is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de belastingplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing. 7.. De belasting van hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt niet geheven, indien het totale belastingbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, minder dan € 1,00 bedraagt.

Rechtspraak bij dit artikel