1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, wordt onder de in deze verordening genoemde begrippen hetzelfde verstaan als in de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), de Jeugdwet (Jw) en de Participatiewet (Pw);
2. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;
- algemene voorziening: een door of namens het college gecreëerde vrij toegankelijke, laagdrempelige voorziening of dienst op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) of de Jeugdwet welke voorziet in de behoefte aan ondersteuning;
- andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet of Wmo 2015, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
- bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de Wmo 2015;
- bijstandsnorm: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5 onderdeel c Participatiewet.
- cliënt: inwoner wiens belang in het kader van deze verordening rechtstreeks bij een (te nemen) besluit is betrokken, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid Algemene wet bestuursrecht en/of diens (wettelijk) vertegenwoordiger;
- gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;
- gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 en artikel 6 van de Jeugdwet;
- hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 of behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet;
- inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;
- jeugdige: jeugdige zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
- maatwerkvoorziening: onder de term maatwerkvoorziening kan mede gelezen worden “individuele voorziening” op basis van de jeugdwet en betreft een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemde door of namens het college te verstrekken voorziening:
a, ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen;
b, ten behoeve van maatschappelijke participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen;
c, ten behoeve van maatschappelijke opvang;
d, ten behoeve van preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen psychische problemen en stoornissen
- mantelzorg: ondersteuning die op vrijwillige basis, zonder dat daarvoor een geldelijke beloning wordt gevraagd, wordt geboden vanwege een tussen personen bestaande sociale relatie (bijvoorbeeld familie, vrienden en buren);
- mantelzorger: persoon die onbetaald ondersteuning verleent ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, welke hulp rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
- melding: melding van een hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 of artikel 4, eerste lid Jeugdwet;
- ondersteuningsplan: een plan van aanpak dat is opgesteld door het college waarin de door een cliënt ervaren knelpunten bij het maatschappelijk leven en de door hem gewenste ondersteuning zijn geïnventariseerd en voorzien van mogelijke oplossingen.
- ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder;
- overige voorziening; als bedoeld in artikel 2 eerste lid van de Jeugdwet
- peildatum: de dag waarop het recht op individuele inkomenstoeslag ontstaat, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen;
- persoonlijk plan/familiegroepsplan; een plan van aanpak dat is opgesteld door de cliënt, eventueel met behulp van zijn mantelzorger of cliëntondersteuner, waarin de door cliënt ervaren knelpunten bij het maatschappelijk leven en de door hem gewenste ondersteuning zijn geïnventariseerd.
- pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget dat de inwoner in staat stelt de hulp of ondersteuning die tot de maatwerkvoorziening behoort van derden te betrekken;
- referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum.
- voorliggende voorziening: een voorziening die niet is gebaseerd op deze verordening en waarop een cliënt op grond van een voorliggende wet aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, en die voorziet in de behoefte aan ondersteuning.