Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 12.

Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening

Onderdeel van Verordening Sociaal Domein gemeente Oude IJsselstreek 2018

1. Het college neemt het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 8 als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor zover: a. deze noodzakelijk is om de cliënt in aanvaardbare mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie en om zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving te kunnen blijven; b. deze als goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening is aan te merken; c. deze voornamelijk op de cliënt is gericht; d. in het geval van een hulpmiddel, deze langdurig noodzakelijk is; e. de noodzaak voor ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was. 3. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet bestaat: a. voor zover de cliënt of de jeugdige en zijn ouders op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen of een oplossing kan vinden voor de hulpvraag. b. voor zover de cliënt of de jeugdige en zijn ouders met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen of een oplossing kan vinden voor de hulpvraag. c. indien de voorziening voor een persoon als cliënt of de jeugdige en zijn ouders algemeen gebruikelijk is; d. voor zover de cliënt of de jeugdige en zijn ouders met gebruikmaking van een andere voorziening de beperkingen kan wegnemen of een oplossing kan vinden voor de hulpvraag. e. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of deze voorziening noodzakelijk was en als goedkoopst compenserend aan te merken is; f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; g. als een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen. h. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan ondersteuning. 4. De aanvraag voor een woningaanpassing kan in ieder geval worden geweigerd: a. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers; c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, oplaadpunt, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; d. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; e. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; 5. De cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening Beschermd Wonen als: a. de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving, gelet op complexe problematiek; b. de complexe problematiek niet voortkomt uit een (acute) crisissituatie waarbij het college nog geen indicatie voor beschermd wonen kan vaststellen; c. de maatwerkvoorziening(en) begeleiding en/of dagbesteding, al dan niet gecombineerd met ambulante diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet niet als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt; d. het Beschermd Wonen (mede) gericht is op het in staat stellen van de cliënt om zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 van de Wmo 2015; 6. Een beschermende woonomgeving gaat gepaard met (noodzakelijk) verblijf in een accommodatie van een aanbieder waar 24-uurs toezicht en dagelijks aangewezen (geplande en ongeplande) ondersteuning wordt geboden. 7. Afhankelijk van de aard en omvang van de complexe problematiek als bedoeld in het eerste lid onderdeel a. kan onder een beschermende woonomgeving ook een woning worden verstaan waarbij het toezicht en de ondersteuning als bedoeld in het vorige lid in de directe nabijheid wordt geboden. 8. De cliënt kan in aanmerking komen voor opvang als de cliënt (feitelijk) dakloos is of slachtoffer is van huiselijk geweld en om die reden zijn thuissituatie heeft verlaten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel