**2.4.1.** Indien de cliënt de beschikte maatwerkvoorziening wil ontvangen via een persoonsgebonden budget (PGB), dan geldt conform artikel 2.6.3, tweede lid van de Wmo 2015 en artikel 6 van de Verordening als aanvullende voorwaarde dat de cliënt en eventueel zijn vertegenwoordiger een plan moet opstellen. Dit plan dient een motivering te bevatten:
op welke wijze de inzet van een PGB aantoonbaar leidt tot stabilisatie, dan wel herstel en een toename van de zelfredzaamheid en participatie voor de cliënt,
op welke wijze een PGB leidt tot het bereiken van de voor cliënt gewenste doelen en resultaten,
welke vorm van ondersteuning hierbij passend is,
welke aanbieder de ondersteuning gaat leveren,
op welke wijze het budget besteed gaat worden,
hoe de cliënt, op eigen kracht of met zijn vertegenwoordiger, de bij een PGB behorende taken en verplichtingen uit kan voeren zoals bedoeld in artikel 2.3.6, lid 2 onder a Wmo 2015.
**2.4.2.** Het ZVH beoordeelt of het plan zoals bedoeld in lid 2.4.1 leidt tot het behalen van de doelen uit het Leefzorgplan van de cliënt.
**2.4.3.** Bij de beoordeling van de kwaliteit van een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB, wordt uitgegaan van minimaal de wettelijke kwaliteitseisen voor de maatwerkvoorzieningen waarvoor het PGB bedoeld is en de handreiking ‘kwaliteitseisen beschermd wonen en opvang’ zoals vastgesteld door de VNG.
**2.4.4.** Het college kent, met inachtneming van het bepaalde in de Wmo 2015, geen PGB toe als:
er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie,
aan de cliënt eerder een PGB is verleend en de cliënt zich niet gehouden heeft aan de bij de verlening van dat eerdere PGB gemaakte afspraken.
**2.4.5.** De aanbieder, die het PGB uitvoert voor de cliënt, kan nooit het budget beheren van de cliënt aan wie hij de ondersteuning verleent.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.4