Deze verordening verstaat onder:
boom: een vitaal, houtig opgaand gewas een stamomtrek van minimaal 45 centimeter op 1,3 meter hoogte vanaf het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam.
houtopstand: één of meer bomen of boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel uitmakend van een beplanting van bosplantsoen, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, hakhout, een struweel of een heg.
beschermde houtopstand: houtopstand voorkomende op de "Groene kaart" als bedoeld in artikel 2 lid 3.
vellen: rooien; kappen; verplanten; dunnen; het snoeien van meer dan 30 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van knotten en kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kan hebben.
dunnen: velling, welke uitsluitend als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de groei van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd. Bij bosplantsoen en bossages wordt tot maximaal 80% van de oppervlakte gedund.
boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen.
Bomen Effect Analyse (BEA): een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.
bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1 onder a Wet natuurbescherming, voorheen artikel 1 en vastgelegd op de kaart ‘Bebouwde komgrens inzake de Boswet, gemeente Lansingerland’.
perceel: een bij het Kadaster als zodanig geregistreerd stuk grond, inclusief alle bebouwing.
Artikel 1: