1. Onder de naam “Onroerende-zaakbelastingen” worden terzake van binnen de

gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:

a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een

onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens

eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:

gebruikersbelasting;

b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van

een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt

recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.

2. Bij de gebruikersbelasting wordt:

a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is

gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft

gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting

als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik

aangemerkt als gebruik door de degene die de onroerende zaak ter

beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft

gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie de

zaak ter beschikking is gesteld.

3. Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of

beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in

de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen

genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.