Naar hoofdinhoud
1.. Een vergoeding voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel m van de Participatiewet wordt in ieder geval vrijgelaten, indien deze vergoeding lager is dan het bedrag aan vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet. 2.. Indien de immateriële schadevergoeding hoger is dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet, beoordeelt het college in hoeverre het meerdere van de vergoeding verenigbaar is met de bijstand. In deze overweging neemt het college mee: de omstandigheden waarmee de rechter rekening heeft gehouden bij de toekenning van de vergoeding voor immateriële schade; de leeftijd van de belanghebbende; de mogelijkheid van de belanghebbende om in de toekomst eigen inkomsten te verwerven; en de duur van de nog te verwachten periode van bijstandsverlening. 3. . Het bedrag aan immateriële schadevergoeding, hoger dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet en waarvan het college van oordeel is dat dit niet verenigbaar is met de bijstand, wordt toegerekend tot het vermogen van de belanghebbende.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel