De vergunninghouder dient zowel bij de aanvraag als bij wijzigingen in de omstandigheden die bepalend zijn voor de vergunningverlening, de voor de vergunning relevante informatie aan het college te verstrekken. Op verzoek hiertoe van het college dient de vergunninghouder de voor de vergunning relevante informatie te verstrekken.
Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen:
op verzoek van de vergunninghouder;
wanneer de vergunninghouder het gebied waarvoor de vergunning is verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt;
wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;
wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;
wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;
wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;
om reden van openbaar belang;
bij het niet (volledig) nakomen van het bepaalde bij of krachtens deze Parkeerverordening;
indien de criteria waaronder de vergunning is verleend, gewijzigd zijn;
indien er aanvullende voorschriften en beperkingen worden vastgesteld voor de sector of het gebied waarop de vergunning betrekking heeft. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.
Een besluit tot het intrekken of wijzigen van een vergunning is met redenen omkleed. De betrokkene wordt van het intrekken of het wijzigen van de vergunning schriftelijk in kennis gesteld.
Wanneer een parkeervergunning is ingetrokken op grond van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, sub e, f, g of h, wordt een aanvraag om een parkeervergunning pas behandeld na afloop van de periode waarvoor de ingetrokken vergunning was verleend.
Hoofdstuk
Artikel 8
Intrekken en wijziging van de vergunning
Onderdeel van Verordening op gebruik van parkeerplaatsen en verlening van parkeervergunningen 2019.