Naar hoofdinhoud
1.. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.. Het is verboden de aard van de openbare inrichting te wijzigen zonder daartoe strekkende vergunning. 3.. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid, zedelijkheid of het woon- en leefklimaat, voorschriften en beperkingen opleggen in een zelfstandig besluit of verbinden aan een exploitatievergunning. 4.. Voor de tenaamstelling van de exploitatievergunning is het volgende van toepassing: de exploitatievergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam gezet van de houder; de exploitatievergunning is niet overdraagbaar; in geval van beëindiging of overdracht van de openbare inrichting, is de houder verplicht dit direct schriftelijk aan de burgemeester mee te delen; het adres, de aard, locatie en omvang van de openbare inrichting worden op de exploitatievergunning vermeld; de namen van de leidinggevenden zijn vermeld in het aanhangsel bij de exploitatievergunning. 5.. De exploitatievergunning vervalt wanneer: de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk is beëindigd of gedeeltelijk overgedragen; zes maanden zijn verlopen na het onherroepelijk worden van de exploitatievergunning, zonder dat van deze exploitatievergunning gebruik is gemaakt; gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen gebruik is gemaakt van de exploitatievergunning. 6.. Voor het verkrijgen van een exploitatievergunning moeten leidinggevenden aan de volgende eisen voldoen: zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdijontzet zijn; zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; zij moeten de leeftijd van één en twintig jaar hebben bereikt. 7.. De burgemeester weigert de exploitatievergunning: indien de exploitatie of vestiging van een openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een ter inzage gelegd bestemmingsplan, een voorbereidingsbesluit, een beheersverordening, een exploitatieplan of daarmee gelijk te stellen regelingen; indien niet is voldaan aan de eisen zoals gesteld in lid 6; indien voor de openbare inrichting een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet is vereist en deze is geweigerd; indien naar zijn oordeel het woon - en leefklimaat, de openbare orde of veiligheid in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting; indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 8.. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; een zorginstelling; een museum; of een bedrijfskantine of – restaurant. 9.. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid.

Rechtspraak bij dit artikel