De precariobelasting wordt niet geheven voor:a. het hebben van voorwerpen, welke ingevolge een wettelijk voorschrift, een overeenkomst of anderszins rechtens moeten worden gedoogd;b. het hebben van voorwerpen, waarvoor de gemeente een recht heft op grond van artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;c. het hebben van voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde;d. het hebben van wegwijzers en verkeersaanwijzingen;e. het hebben van brievenbussen, postzegelautomaten, telefooncellen of van kabels en draden ten behoeve van de telefoon of kabeltelevisie al dan niet geëxploiteerd van overheidswege;f. het hebben van halteborden, wachthuisjes en dergelijke ten dienste van openbare middelen van vervoer;g. het hebben van borden, masten, palen en dergelijke die in verband met verkiezingen van publiekrechtelijke lichamen zijn aangebracht;h. het hebben van voorwerpen uitsluitend gebezigd voor een sociaal, cultureel of godsdienstig doel;i. het hebben van buizen in de grond, tot lozing van fecaliën, huishoud- of hemelwater;j. het hebben van buizen, draden en kabels ten behoeve van de gas-, water- en elektriciteitsdistributie;k. het hebben van pilaren, plinten, kozijndorpels, gevelversieringen, goten, puilijsten, goot- of kroonlijsten, spionnen, bloembakken, klokken, vlaggenstokken, gevelautomaten en dergelijke voorwerpen;l. het hebben van kelderingangen, licht- en luchtopeningen, rijwieltegels, rijwielstandaards, stoeptreden, overstekken, luifels, erkers, balkons, uitbouwen, overbouwingen en dergelijke onderdelen van bouwwerken;
Artikel 4
Vrijstellingen precariobelasting
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting en -rechten 2011