Bij de overgang van AWBZ naar Jeugdwet is de verplichting voor budgethouders Wmo en Jeugd om een budgetplan op te stellen, gehandhaafd. Dit budgetplan ziet zowel op de inhoud van de voorgenomen hulp, als de daarvoor benodigde financiën. In de praktijk kan een budgetplan voortborduren op of zelfs samenvallen met het familiegroepsplan/persoonlijk plan. Er wordt niettemin gekozen voor een onderscheidende term budgetplan omdat hieraan voorwaarden worden gesteld.
Op basis van het budgetplan kan getoetst worden of aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget is voldaan. Daarnaast vormt dit plan de basis om (periodiek) vast te stellen wat de zorg heeft opgeleverd. Daarmee wordt ook de kwaliteit en doelmatigheid van de jeugdhulp inzichtelijk.
Gemeenten hebben bij individuele voorzieningen, de verplichting tot het aanbieden van een PGB zodra er aan de drie wettelijke voorwaarden is voldaan. Dit geldt voor zover de wetgever de vorm van jeugdhulp niet nadrukkelijk heeft uitgesloten van verstrekking in PGB (zoals forensische jeugdhulp). Het gaat dan om de bekwaamheid van de aanvrager, zijn motivatie en de kwaliteit en effectiviteit van de hulp. Ten aanzien van de eerste en derde voorwaarde is sprake van gemeentelijke beoordelingsruimte. Zeker bij zwaardere ondersteuningsvormen, zoals maatschappelijke opvang, beschermd wonen en specialistische jeugdhulp zal goed gekeken worden naar of een cliënt regiemogelijkheden heeft en of de beoogde ondersteuning aansluit op de benodigde kwaliteit en de te behalen resultaten. Cliënt kan hiertegen in bezwaar gaan.
In dit verband is de uitspraak van 24 juli 2018 relevant in een zaak tegen de gemeente Maastricht.
(http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2018:7066). Hierin wordt de volgende interpretatie gegeven:
“Onder de Wmo 2015 geldt dat het aan de pgb-houder is om zelf te bepalen waar hij de benodigde ondersteuning inkoopt en wat de kwaliteit van deze hulpverlening is (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p. 38). Het staat een cliënt vrij om het pgb te besteden aan een voorziening naar eigen keuze, zolang het maar wordt besteed aan het vooraf bepaalde doel of activiteit. In artikel 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat bij het beoordelen van de kwaliteit het College meeweegt of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. Uit de woorden “in redelijkheid”blijkt dat het College enigszins terughoudend moet zijn in de beoordeling of hetgeen wordt ingekocht geschikt is voor het te bereiken doel. Het College zal in elke individueel geval moeten bekijken of de zorg middels het pgb doelmatig, efficiënt en veilig wordt verleend. Wanneer het College het pgb wil afwijzen, omdat niet voldaan is aan de doeltreffendheid en cliëntgerichtheid (de kwaliteit) zal het College dat in de beschikking duidelijk moeten motiveren en goed moeten onderbouwen.”
Daarnaast geeft de uitspraak inzichten ten aanzien van de mogelijkheid om een beroep te doen op het sociaal netwerk.
Hoofdstuk 7:
Artikel 14A
Voorwaarden voor een persoonsgebonden budget
Onderdeel van Verordening jeugdhulp Maastricht-Heuvelland versie 2019