Begraving mag slechts geschieden indien van te voren het verlof tot begraven of de toestemming tot het plaatsen van een asbus is overgelegd aan de beheerder.
Begraving in een graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de alsdan resterende uitgiftetermijn tenminste gelijk is aan de wettelijke grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door een van de andere personen, genoemd in artikel 16, tweede lid.
De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven toe afgerond op hele jaren.
Hoofdstuk 3.
Artikel 6.
Over te leggen stukken.
Onderdeel van Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats