Subsidies kunnen, naast de in art. 4:25 en 4:35 van de AWB genoemde gevallen, gemotiveerd geweigerd worden indien gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat:
de activiteiten van de aanvrager niet of niet in overwegende mate gericht zullen zijn op de inwoners van de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente en/of;
de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor subsidie beschikbaar wordt gesteld en/of;
de aanvrager doeleinden beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang, de openbare orde of het gemeentelijk beleid en/of;
de aanvrager zich onvoldoende heeft ingezet voor het verkrijgen van middelen, anders dan subsidie, voor bekostiging van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, terwijl dit gelet op de aard van de aanvrager en/of de activiteiten redelijkerwijs verwacht had mogen worden en/of;
de aanvrager op andere wijze in de benodigde financiële middelen kan voorzien. Afspraken over financiële reserves die van invloed zouden kunnen zijn op de hoogte van de subsidie worden desgewenst vastgelegd in de beleidsregels.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 1
Artikel 10:
weigering subsidie
Onderdeel van Algemene Subsidieverordening Opmeer 2019