Het college kan beleidsregels vaststellen ten aanzien van de uitvoering van de in deze verordening genoemde voorzieningen.
Voor niet-uitkeringsgerechtigden wordt de basisdienstverlening ingezet, zoals vacatureaanbod en bemiddeling, tenzij naar het oordeel van het college de inzet van een uitgebreidere voorziening in het individuele geval noodzakelijk is.
Het college houdt bij de inzet van een voorziening, waaronder ook begrepen het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden en onbeloonde additionele werkzaamheden, rekening met concurrentieverhoudingen en verdringing op de arbeidsmarkt.
Bij de keuze voor de in te zetten voorziening worden de volgende uitgangspunten gehanteerd vanuit de visie dat iedereen die kan meedoet op de werkvloer (visie vanuit de nota Plek op de Werkvloer):
De kortste weg naar werk staat voorop;
Daar waar nog mogelijkheden zijn voor het volgen van onderwijs en/of werk geen optie is, kan scholing onderdeel van het aanbod zijn;
Er wordt uitgegaan van de mogelijkheden en niet van de beperkingen;
Waar mogelijk worden groepsgewijs ondersteunende re-integratievoorzieningen ingezet;
Bij de inzet van ondersteuning wordt rekening gehouden met de op dat moment geldende en toekomstige vraag naar arbeidskrachten;
Reguliere werkgevers worden zoveel als mogelijk bij het re-integratie- en plaatsingsproces betrokken en middels in te zetten voorzieningen ondersteund bij indienstneming van de doelgroep.
Het college stelt in het plan van aanpak, in overleg met de belanghebbende, vast welke voorziening wordt aangeboden aan een belanghebbende uit de doelgroep.
Hoofdstuk 2
Artikel 3.
Algemene uitgangspunten inzet re-integratievoorzieningen
Onderdeel van Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ 2019 gemeente Voorst