**1..** Het college verleent degene die tot de in artikel 4, eerste lid, genoemde doelgroep behoort een individuele voorziening wanneer het college de voorziening in het individuele geval noodzakelijk acht, gelet op het bepaalde in artikel 2.3 van de wet.
**2..** Ter beoordeling van de noodzaak om een individuele voorziening in te zetten onderzoekt het college:
de hulpvraag van de jeugdige;
of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, van psychische problemen, of van stoornissen, en zo ja: welke;
welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te bieden;
de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorziening, en;
de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking van een overige voorziening.
**3..** Het college betrekt bij de bepaling van de in te zetten individuele voorziening onder meer de volgende factoren:
de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige;
het gewenste resultaat van de jeugdhulp, en;
hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige.
**4..** Tenzij een spoedeisend belang zich daartegen verzet, onderzoekt het college de noodzaak tot het verlenen van een individuele voorziening in een gesprek.
**5..** In afwijking van het vierde lid kan het college in overleg met de jeugdige afzien van een gesprek.
**6..** Indien het college van oordeel is dat met het inzetten van een overige voorziening of een andere voorziening de noodzaak tot het verlenen van een individuele voorziening wordt weggenomen, en die overige of andere voorziening voor de jeugdige open staat,
ziet het college af van het verlenen van een individuele voorziening.
**7..** Het college neemt de noodzaak tot het verlenen van een individuele voorziening als bedoeld in het eerste lid, in ieder geval aan:
wanneer een huisarts, medisch specialist of jeugdarts een verwijzing naar de individuele voorziening heeft afgegeven, of;
wanneer het verlenen van de individuele voorziening noodzakelijk wordt geacht als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onderdeel b, van de wet.
** 8. .** Indien het college ten behoeve van de beoordeling en het onderzoek bedoeld in het tweede lid, beleidsregels vaststelt of wijzigt, en tengevolge van toepassing van deze vastgestelde of gewijzigde beleidsregels bij een inwoner met een aflopende toewijzing van jeugdhulp een verandering in de daar direct op volgende toewijzing plaatsvindt, dan geeft het college hiervan minimaal drie weken voor afloop van de lopende jeugdhulp een beschikking af.
** 9. .** De in het vorige lid bedoelde termijn van drie weken geldt niet:
a. indien de aflopende toewijzing voor een periode van zes weken of korter was afgegeven;
b. indien door toedoen van de inwoner niet tijdig een beschikking kon worden afgegeven.