Naar hoofdinhoud

Artikel 13:

Saldo- en liquiditeitenbeheer

Onderdeel van Treasurystatuut Peel en Maas 2018

Voor het saldobeheer en het liquiditeitenbeheer gelden de volgende specifieke richtlijnen: De gemeente streeft naar concentratie van de liquiditeiten binnen één rentecompensatie- circuit bij de bank met de gunstigste condities; Indien er een liquiditeitsbehoefte ontstaat kan de gemeente kortlopende middelen aantrekken. Hierbij wordt – conform artikel 4 lid 1 - de bepalingen voor de kasgeldlimiet niet overschreden, tenzij de toezichthouder ontheffing heeft verleend; Toegestane instrumenten bij het aantrekken van kortlopende middelen zijn daggeld, kasgeldleningen, kredietlimiet op rekening courant en onderhandse leningen; Toegestane instrumenten bij het uitzetten van gelden voor een periode korter dan één jaar zijn: rekening-courant, daggeld, spaarrekeningen, deposito’s bij schatkist en onderhandse leningen; De gemeente vraagt een offerte aan alvorens middelen worden aangetrokken met een looptijd korter dan één jaar. Op basis van de halfjaarlijkse rentevisie (waarin 3 partijen worden betrokken) vindt er een oriëntatie plaats bij welke partij middelen worden aangetrokken met een looptijd korter dan één jaar. Door de invoering van het verplicht schatkistbankieren is het ook niet meer mogelijk tijdelijke overschotten (korter dan één jaar) tegen een gunstig tarief weg te zetten bij een financiële instelling anders dan bij de schatkist. Wel is het mogelijk om als decentrale overheden gebruik te maken van elkaars overliquiditeit. Hierbij worden de richtlijnen en grensbedragen zoals genoemd in de Wet FIDO in acht genomen. VERSTREKKING GEMEENTEGARANTIES

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel