Met betrekking tot risicobeheer gelden de volgende algemene uitgangspunten:
De gemeente mag uitsluitend ten behoeve van de uitoefening van de ”publieke taak” leningen aangaan, middelen uitzetten of garanties verlenen. Voor het overige houden zij hun liquide middelen in ’s Rijks schatkist aan. Nadere regels met betrekking tot het verstrekken van gemeentegaranties en/of leningen aan derden zijn opgenomen in artikelen 14, 15 en 16;
De gemeente kan middelen uitzetten uit hoofde van de treasuryfunctie indien deze uitzettingen een prudent karakter hebben en niet zijn gericht op het genereren van inkomen door het lopen van overmatig risico. Het prudente karakter van deze uitzettingen wordt gewaarborgd middels de richtlijnen en limieten van de Wet FIDO en dit treasurystatuut;
Het gebruik van derivaten is toegestaan, maar deze worden uitsluitend toegepast ter beperking van financiële risico’s. Alvorens de derivatentransactie wordt afgesloten wordt het advies ingewonnen bij een onafhankelijke externe ter zake kundig adviseur.