Een persoon als bedoeld in eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 20, onder b. en c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 20, onder a., onmogelijk maken.dan wel
een collectief systeem als bedoeld in artikel 22, onder a., niet aanwezig is.
Hoofdstuk 5.
Artikel 24
Het primaat van het collectief vervoer.
Onderdeel van Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Veendam