In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de op grond van artikel 14, eerste lid, verschuldigde rechten worden betaald in vier gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.
In gevallen bedoeld in lid 1 geldt in afwijking van het aldaar bepaalde, dat zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.
In afwijking van het bepaalde bij lid 1 geldt ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 1.815,00 dat de aanslagen moeten worden betaald in één termijn die vervalt twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
De op grond van artikel 14, tweede lid, geheven rechten moeten worden betaald:
ingeval van uitreiking van de kennisgeving:
op het tijdstip van uitreiking;
ingeval van toezending van de kennisgeving:
binnen veertien dagen na de dagtekening.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de leden 1, 2 , 3 en 4 gestelde termijnen.
Hoofdstuk 4 Aanvullende bepalingen
Nadere regels door het college