1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en vier overige leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen voor een periode van vier jaar.
2. Een lid van het dagelijks bestuur treedt af op de dag dat hij ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn.
3. Een tussentijds benoemd lid van het dagelijks bestuur treedt af op het moment waarop het lid dat hij vervangt als lid van het algemeen bestuur, overeenkomstig het eerste lid, had moeten aftreden.
4. Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter, ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten.
HOOFDSTUK 2: › Paragraaf
Artikel 2.7
Samenstelling
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Utrecht