1. Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als het daartoe besloten heeft, met dien verstande dat tenminste driemaal per jaar vergaderd wordt.
2. Voorts vergadert het algemeen bestuur indien de voorzitter het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.
3. De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 23, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.
4. De vergadering van het algemeen bestuur wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
5. Indien ingevolge het vierde lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.
6. Op de vergadering, bedoeld in het vijfde lid, is het vierde lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het vierde lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebben leden tegenwoordig is.
7. Onder het aantal zitting hebbende leden dat tegenwoordig is, bedoeld in het vierde en zesde lid, worden tevens verstaan de plaatsvervangers van deze leden, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid.
HOOFDSTUK 2: › Paragraaf
Artikel 2.3
Vergaderingen
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Utrecht