1. De voorzitter geeft het algemeen bestuur alle inlichtingen die het algemeen bestuur voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.
2. De voorzitter geeft schriftelijk de door een of meer leden van de raden gevraagde inlichtingen.
3. De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig over het door hem gevoerde bestuur.
4. De voorzitter brengt na afloop van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis schriftelijk verslag uit aan de raden van de getroffen gemeenten over het verloop van de gebeurtenissen en de besluiten die hij heeft genomen, onverminderd het bepaalde in artikel 40, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. De voorzitter beantwoordt schriftelijk de vragen die de raden na ontvangst van het verslag stellen, onverminderd het bepaalde in artikel 40, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
5. De voorzitter verstrekt in de raden mondelinge inlichtingen over de besluiten, bedoeld in het vierde lid, indien de desbetreffende raad daarom verzoekt, onverminderd het bepaalde in artikel 40, derde en vierde lid, van de Wet veiligheidsregio’s.
HOOFDSTUK 3: › Paragraaf
Artikel 3.9
Inlichtingen en verantwoording
Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Utrecht