Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij:
a. voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend.
b. de voorgenomen ingrepen binnen de vrijstellingsgrenzen van het vigerend gemeentelijk archeologisch beleid vallen. Voor de gebieden aangeduid als 5A in het in dit lid genoemde beleid geldt specifiek alleen een plicht voor archeologisch onderzoek voor ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm onder het bestaande maaiveld. Voor de gebieden aangeduid als 5B in het in dit lid genoemde beleid geldt specifiek alleen een plicht voor archeologisch voor ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 100 cm onder het bestaande maaiveld.
c. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in degrond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of
d. met een door burgemeester en wethouders goedgekeurd archeologisch vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn of zijn te verwachten.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek.