Naar hoofdinhoud

Artikel 7

Maatstaf van heffing

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2019

De reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per vestiging dat vermeerderd wordt met een bedrag dat afhankelijk is van de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ voor het belastingobject vastgestelde waarde, zoals deze geldt voor het kalenderjaar. Indien de vestiging gelijk is aan de onroerende zaak, als bedoeld in artikel 16 van de Wet WOZ, bedraagt de heffingsmaatstaf een vast bedrag, vermeerderd met een bedrag dat afhankelijk is van de WOZ-waarde die geldt voor het kalenderjaar. In afwijking van het tweede lid bedraagt de heffingsmaatstaf, indien de vestiging deel uitmaakt van één onroerende zaak, als bedoeld in artikel 16 Wet WOZ, een vast bedrag, vermeerderd met een bedrag dat afhankelijk is van het deel van de vastgestelde WOZ-waarde dat aan de vestiging is toegerekend. Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met toepassing van artikel 16, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet WOZ. Indien de WOZ-waarde naar beneden wordt bijgesteld, wordt de aanslag reclamebelasting ambtshalve verminderd indien de lagere WOZ-waarde leidt tot een lager belastingbedrag. In afwijking van de voorgaande leden, wordt de reclamebelasting geheven naar een vast bedrag per reclameobject, indien artikel 6, tweede lid van toepassing is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel