Naar hoofdinhoud
De belasting wordt niet geheven ter zake van: a. het hebben van voorwerpen of werken ten behoeve van eigendommen, welke bij de gemeente of haar instellingen in gebruik zijn, met uitzondering van eigendommen, welke aan derden zijn of zullen worden verhuurd of in beheer en exploitatie zijn of zullen worden gegeven; b. het hebben vanwege de door TNT N.V. aangebrachte brievenbussen, postzegelautomaten, telefooncellen en niet tot reclame dienende aanwijzingen voor het publiek; c. het hebben van wegwijzers en verkeersaanduidingen van de Koninklijke Nederlandse Toeristenbond A.N.W.B. en van andere overeenkomstige instellingen; d. het hebben van voorwerpen of werken, welke daar ingevolge een wettelijk voorschrift moeten worden gedoogd; e. het hebben van voorwerpen of werken, welke noodzakelijk voor de uitoefening van hun publiekrechtelijke taak, door het rijk, de provincie, de gemeente of door waterschappen, zijn aangebracht of geplaatst; g. het hebben van vlaggenstokken en de daaraan bevestigde vlaggen en wimpels, welke niet worden gebezigd voor reclamedoeleinden; h. het hebben van hijsbalken; i. het hebben van pilasters, plinten, kozijndorpels, gevelversieringen, goten, puilijsten, goot- of kroonlijsten e.d.; j. het hebben van voorwerpen uitsluitend gebezigd voor een weldadig doel, ten dienste van een kerkgenootschap of ten dienste van door het rijk gesubsidieerde bijzondere scholen; k. het hebben van voorwerpen, op of boven aan de gemeente om niet afgestane grond, door de voormalige eigenaar, die de grond afstond; l. het hebben van afvoerbuizen van hemelwater, welke aan een gebouw zijn aangebracht en niet meer dan 0,20 m. buiten de gevel uitsteken; m. het innemen van gemeentegrond, indien de verordening op de heffing en invordering van marktgelden van toepassing is; n. het innemen van gemeentewater, indien de verordening op de heffing en invordering van scheepvaartrechten van toepassing is; o. woonwagens of woonschepen gedurende veertien al dan niet achtereenvolgende dagen binnen hetzelfde kalenderjaar; p. het gedurende ten hoogste 14 dagen innemen van openbare gemeentegrond voor opslag van scheepsladingen of gedeelten daarvan bestemd voor doorvoer per spoor en afkomstig uit schepen, die door hun diepgang verplicht zijn een gedeelte van de lading elders dan aan het overslagterrein te lossen; q. het hebben van borden, zuilen en dergelijke, aangebracht door of vanwege politieke partijen, bevattende uitsluitend verkiezingspropaganda; r. een vak van een reclamebord of –zuil in gebruik bij en ten dienste van de gemeente voor het aanbrengen van stadsplattegronden; s. het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond van bedrijfsexploitanten, waarvan het bedrijfspand gelegen is aan een zogenaamd winkelerf, met dien verstande dat deze vrijstellingsbepaling niet geldt voor terrassen, etalages, vitrines en andere soort gelijke voorwerpen, als gevolg waarvan een gedeelte openbare grond feitelijk aan het openbare gebruik wordt onttrokken tot een maximum van 1,5 m² per 6 m. gevelbreedte van het bedrijfspand; t. het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond ten behoeve van door de overheid gesubsidieerde woningbouw door een op grond van artikel 59 van de Woningwet (Wet van 12 juli 1962, Stb. 287) toegelaten instelling; u. het innemen van gemeentegrond, indien hiervoor een pachtsom in rekening wordt gebracht. v. het hebben van voorwerpen waarvoor de gemeente reclamebelasting of een recht op grond van artikel 229, eerste lid, van de Gemeentewet heft.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel