De heffing, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.
De heffingen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b. en c. zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
Als de belastingplicht van heffing, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b in de loop van het belastingjaar begint, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het begin van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Als de belastingplicht van heffing, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Het vierde lid is niet van toepassing als de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en daar een ander perceel in feitelijk gebruik neemt.
Artikel 9
Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2019 (Verordening Rioolheffing 2019)