Een gevraagde voorziening wordt afgewezen:
indien de jeugdige of zijn ouders c.q. de gevraagde voorziening niet aan één of meerdere criteria zoals bepaald in artikel 4.1 voldoen;
indien de jeugdige niet zijn woonplaats, zoals gedefinieerd in artikel 1.1.van de wet, in de gemeente heeft;
voor zover er aan de zijde van de jeugdige of zijn ouders geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen of problemen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;
voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de jeugdige of zijn ouders voorafgaand aan het moment van beschikken op de aanvraag heeft gemaakt, tenzij het college vooraf uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft gegeven, of het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen en de voorziening als goedkoopst passend kan aanmerken;
indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de jeugdige, de ouders of huisgenoten niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 8.1.2 van de wet of artikel 3.6 van deze verordening;
indien:
de noodzaak tot ondersteuning ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie voor de jeugdige of de ouders redelijkerwijs vermijdbaar was; en
van de jeugdige of de ouders redelijkerwijs verwacht had mogen worden dat zij maatregelen zouden hebben getroffen die de gevraagde voorziening overbodig had gemaakt nu de hulpdvraag en de noodzaak tot ondersteuning hierbij redelijkerwijs voorzienbaar was voor de jeugdige of de ouders;
voor zover de kosten van de voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt ingevolge de voorliggende voorziening;
Het college kan bij nadere regels aanvullende criteria vaststellen in verband met de weigeringsgronden voor een specifieke voorziening.
HOOFDSTUK 4
Artikel 4.2
Weigeringsgronden individuele voorziening
Onderdeel van Verordening jeugdhulp Someren 2019