Naar hoofdinhoud
1.. Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per bebouwd perceel. 2.. Het gebruikersdeel van woningen wordt geheven naar een vast bedrag voor een éénpersoonshuishouden, een vast bedrag voor een tweepersoonshuishouden, een vast bedrag voor een drie- of meerpersoonshuishouden en een vast bedrag voor recreatiewoningen. 3.. Het gebruikersdeel voor niet-woningen wordt geheven naar het aantal kubieke meters geloosd water op de riolering. De hoeveelheid water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater dat op de waterafrekening staat vermeld die is ontvangen in het voorgaande belastingjaar. Deze hoeveelheid wordt, in voorkomende gevallen, verhoogd met het aantal kubieke meters opgepompt grondwater. Wanneer de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij de herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. 4.. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest, kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd. 6.. Indien voor de in artikel 3, eerste lid, onderdeel b bedoelde percelen in verband met het ontbreken van afzonderlijke watermeters, danwel de verbruiksperiode als bedoeld in lid 3 niet aanwezig zijn, de hoeveelheid afvalwater niet kan worden vastgesteld zoals hiervoor is omschreven, zal de hoeveelheid afvalwater voor niet tot woning dienende eigendommen op het aantal kubieke meters afgevoerd afvalwater, dat in het belastingtijdvak of gedurende de verbruiksperiode naar het eigendom is toegevoerd of is opgepompt, worden gesteld. 7.. Voor de vaststelling van de omstandigheden als bedoeld in lid 6, is de toestand aan het begin van het belastingjaar of zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht bepalend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel