De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van:
degene die op voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig heeft gebruik gemaakt en dit hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen;
degene die het voertuig geparkeerd heeft op een parkeerplaats in een andere zone dan zone A en die in het bezit is van een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart (GPK) en deze op een goed zichtbare plaats achter de voorruit van het voertuig heeft aangebracht;
degene die het voertuig geparkeerd heeft op een parkeerplaats in zone A en die in het bezit is van een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart (GPK), deze op een goed zichtbare plaats achter de voorruit van het voertuig heeft aangebracht en tevens het voertuig heeft voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf, waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen en de toegestane parkeerduur van maximaal 1½ uur niet is verstreken;
degene die het voertuig heeft geparkeerd in het gedeelte van het betaald parkeergebied dat wordt aangeduid als Zone “E”, voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf, waarop het tijdstip staat aangegeven waarop met parkeren is begonnen en de toegestane parkeerduur van maximaal 1 uur niet is verstreken;
degene die het voertuig heeft geparkeerd op een autodateplaats en deze parkeerplaats als zodanig feitelijk gebruikt ten behoeve van autodate;
degene die het voertuig heeft geparkeerd op een parkeerplaats die is aangeduid als oplaadpunt elektrisch rijden en deze parkeerplaats als zodanig feitelijk gebruikt ten behoeve van het elektrisch opladen van het voertuig.
Artikel 4
Vrijstellingen
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen