Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 5.

Voorwaarden individuele voorziening jeugdhulp

Onderdeel van VERORDENING JEUGDHULP 2019

1.. Het college bepaalt wat de meest passende voorziening jeugdhulp voor het bereiken van het afgesproken resultaat is. 2.. Het college kent een individuele voorziening toe voor zover door de toegangsprofessional is vastgesteld dat de jeugdige: op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit de naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden; geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening; geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk gebruik te maken van een andere voorziening. 3.. Voor de inzet van een voorziening voor jeugdigen in de leeftijdscategorie 16-18 jaar zal er indien nodig tijdig (een half jaar voor het bereiken van 18 jaar) gekeken worden naar een vervolgtraject na de 18 jaar. 4.. Het college kan besluiten vervoer aan een jeugdige toe te kennen van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden: als dit medisch gezien noodzakelijk is of; als er beperkingen in de zelfredzaamheid zijn. Indien er sprake is van een situatie onder a of b moet ook aangetoond worden dat ouder(s) of het sociale netwerk niet in staat is de jeugdige te vervoeren. 5.. Het college kan nadere regels opstellen ten aanzien van het vervoer zoals genoemd bij lid 4. 6.. De jeugdhulp voorziening dient te worden uitgevoerd door een in Nederland gevestigde jeugdhulpaanbieder.

Rechtspraak bij dit artikel