Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf

Artikel 2:15

Exploitatievergunning

Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Velsen 2019

1.. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2.. De burgemeester weigert de vergunning, indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan. 3.. De burgemeester weigert de vergunning indien de ondernemer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4.. De burgemeester kan voor de toetsing van het levensgedrag verzoeken om een verklaring omtrent gedrag van de ondernemer(s) en leidinggevende(n) te overleggen welke niet ouder is dan drie maanden, gerekend vanaf de dag van verzoek. 5.. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 6.. Bij de toepassing van de in het vijfde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. 7.. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt ineen winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; een zorginstelling; een museum; of een bedrijfskantine- of restaurant. 8.. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, indien de openbare inrichting in de directe omgeving, naar verwachting, geen overlast zal veroorzaken of geen negatieve invloed zal hebben op de woon- en leefsituatie en de openbare orde. 9.. De vrijstelling wordt ingetrokken indien er een incident voordoet die de woon- en leefsituatie of openbare orde in de directe omgeving van de openbare inrichting negatief beïnvloedt. 10.. Met het oog op de in dit artikel genoemde belangen kan de burgemeester nadere regels stellen ter zake van de exploitatie van de openbare inrichting, de handhaving hiervan en de vrijstelling als bedoeld in het achtste lid. 11.. Op de aanvraag om een vergunning en de aanvraag om de vrijstelling van het achtste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel