Naar hoofdinhoud
1. Scheepvaartrechten worden niet geheven ter zake van: a. rijksvaartuigen, voor zover bij wet of algemene maatregel van bestuur vrijstelling is voorgeschreven; b. hospitaalschepen, waarop van toepassingen is het bepaalde in artikel 1 van de internationale overeenkomst van 21 december 1904; c. vaartuigen, welke rechtstreeks goederen voor de gemeente aanvoeren dan wel ten genoegen van het afdelingshoofd Openbare Werken werken in de haven uitvoeren; d. de vaartuigen rechtstreeks in gebruik bij en in eigendom van de publiekrechtelijke lichamen en reddingsmaatschappijen; e. vaartuigen, welke dienst doen als roeiboten, voor zover zij behoren bij vaartuigen waarvoor reeds havengeld ingevolge deze verordening is verschuldigd, met uitzondering van vaartuigen waarvoor een vaste ligplaats is aangewezen aan de daarvoor aangewezen roeibotensteiger; f. vaartuigen die ten gevolge van storm, ijsgang of andere weersomstandigheden gedwongen zijn in de haven te verblijven, met dien verstande dat deze vrijstelling pas in werking treedt met ingang van de 15e dag van het verblijf; g. vaartuigen die de haven binnenlopen, uitsluitend ter verkrijging van geneeskundige hulp voor zich aan boord bevindende zieken; h. vaartuigen, welke van de haven gebruik maken, zulks voor het uitvoeren van kleine reparaties en voor het doen van inkopen van voedsel, het innemen van water, brandstof of andere scheepsbenodigdheden, met dien verstande evenwel, dat deze vrijstelling slechts geldt voor de tijd, welke voor genoemde doeleinden nodig is, zulks ter beoordeling van de havenmeester; i. de ledige verpakkingsmaterialen waarin de goederen geborgen zijn geweest en waarvoor in deze gemeente reeds kadegeld is betaald. j. de goederen die reeds eerder zijn overgescheept en waarvoor in deze gemeente reeds overscheepgeld is betaald; k. vervallen.

Rechtspraak bij dit artikel