De raad stelt in ieder geval bij de aanvang van de nieuwe raadsperiode een programma-indeling voor de begroting vast.
De raad stelt op basis van de programmaindeling jaarlijks vast:
de beleidsbegroting met de volgende onderdelen:
de programma’s met per programma
de doelstellingen en de beoogde maatschappelijke effecten
de wijze waarop ernaar gestreefd wordt de effecten te bereiken
de raming van de baten en lasten
de indicatoren
het overzicht algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien
overzicht overhead
vennootschapsbelastingplicht
de paragrafen
de financiële begroting met de volgende onderdelen:
overzicht baten en lasten
uiteenzetting financiële positie
geprognosticeerde balans
de reserves en voorzieningen
de investeringskredieten (inclusief een onderbouwing) voor het komende jaar.
Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming en de investeringen.
In de toelichting op de meerjarenraming wordt een schets gegeven van de ontwikkeling van het EMU-saldo, de EMU-norm, de afwijking ten opzichte van de referentiewaarde en de mogelijke acties.
Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde goederen en diensten en de maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.
HOOFDSTUK 2. › Paragraaf 2.1.
Artikel 5.
Programmabegroting
Onderdeel van Financiële Verordening 2018