**1..** het College kent een individuele voorziening toe indien en voor zover vastgesteld is dat:
een individuele voorziening aangewezen is gezien de aard en ernst van de hulpvraag; of
de jeugdige zelf, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen afdoende oplossing voor diens hulpvraag kan vinden; of
een overige voorziening die algemeen toegankelijk is als bedoeld in artikel 2 lid 2 niet adequaat is voor de oplossing van de hulpvraag; of
de jeugdige of de ouders geen aanspraak kan maken op een andere voorziening om de hulpvraag te beantwoorden.
**2..** Het College kan nadere regels vaststellen ter verdere uitwerking van de algemene criteria als genoemd in het eerste lid, of ter bepaling van specifieke criteria voor bepaalde individuele voorzieningen.
Hoofdstuk 3:
Artikel 7A: