Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8:

Artikel 8.3

Inwerkingtreding en citeertitel

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2019

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2019. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2019. Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugd Baarn 2018 Algemeen Deze verordening vervangt de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2018 en geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en aan de Jeugdwet 2015. Via een verordening vult de gemeenteraad, op basis van het door haar vastgestelde beleid, haar kaderstellende rol verder in. De verordening wordt aangepast naar aanleiding van enkele wijzigingen in de wetgeving, enkele wijzigingen in benaming van de ondersteuning en wijzigingen rond Beschermd Wonen. Sinds 2018 is er sprake van een integrale verordening voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. De wetgever beoogt met zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015 vergelijkbare doelen te behalen voor hulp en ondersteuning aan verschillende doelgroepen. En de wetgever verplicht gemeenten om beleid in samenhang te ontwikkelen. Dit was aanleiding om een integrale verordening voor jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te ontwikkelen. Dit past bij een integrale benadering van ondersteuningsvragen. Om uitvoering te geven aan deze wettelijke opdracht heeft de gemeenteraad beleid vastgesteld met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid op het gebied van onder andere maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. In dit beleid is de ondersteuning gericht op de persoon en diens plek in de samenleving in plaats van uitsluitend op diens aandoening, beperking of indicatie. Het welbevinden van mensen staat centraal. Bij het ondersteunen van mensen moet er meer aandacht zijn voor problemen achter of naast de directe vraag om ondersteuning, zoals eenzaamheid of schuldenproblematiek. Het bieden van maatwerk is een vereiste. In de voorliggende verordening stelt de gemeenteraad de regels vast voor de uitvoering van het beleid door het college. De gemeentelijke verordening is daarmee een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid met betrekking tot ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie, beschermd wonen en opvang. Bij de uitwerking van de verordening is rekening gehouden met het feit dat er maatwerk geboden moet worden. Dit betekent dat het niet mogelijk en niet wenselijk is in de verordening tot in detail vast te leggen hoe de gemeente in concrete situaties zal handelen; waar een individuele cliënt in zijn situatie het meest bij gebaat is, laat zich niet vooraf vastleggen. De verordening geeft invulling aan één integraal proces in het sociaal domein met als vertrekpunt: ‘één individu of gezin, één plan’. De vraag staat centraal in één proces, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het gehele sociale domein. Voor inwoners van de gemeente Baarn met vragen voor hulp of ondersteuning is het belangrijk dat hun situatie in de volle breedte wordt bekeken. Uitgangspunt hierbij is een proces waarin de gemeente en de persoon met een ondersteuningsbehoefte in samenspraak diens situatie in kaart brengen en op basis daarvan bezien op welke wijze de zelfredzaamheid en participatie van betrokkene kan worden versterkt. Passend aanbod is per definitie een aanbod dat passend is bij de individuele cliënt en hoeft daardoor niet te bestaan uit een standaard oplossing. De borging van de kwaliteit van het onderzoek en de uitkomsten daarvan (het passende aanbod) ligt in een goed georganiseerde toegangsprocedure. Deze verordening legt deze toegangsprocedure in hoofdlijnen vast. Een zorgvuldige, tweezijdige procedure zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. Het doel is dat zij die het nodig hebben, tijdig bij hun situatie passende hulp ontvangen. Het is de taak van het college om te bezien wat redelijkerwijs verwacht mag worden van betrokkene en zijn sociaal netwerk. Daarna zal waar nodig, de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene of overige voorziening. Als dat niet volstaat een individuele- of maatwerkvoorziening. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de mogelijkheid van betrokkene om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren in de maatschappij. Toegang (of toeleiding) tot zorg en ondersteuning In de wetgeving is uitgewerkt dat inwoners zich melden bij het college van de gemeente waar zij wonen. Het college heeft de taak om telkens een zorgvuldige toegangsprocedure te doorlopen om de ondersteuningsvraag van de betrokkene, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen. De kwaliteit van dit onderzoek is belangrijk. Ook moet worden onderzocht wat betrokkene op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid of participatie te handhaven of te verbeteren. In deze verordening worden enkele procedureafspraken rondom de toegang op hoofdlijnen geregeld. Tegelijkertijd geeft de raad opdracht aan het college om via nadere regels de minimale vereisten rondom de toegang verder uit te werken. Ter verduidelijking van het proces zal hierna wel wat dieper worden ingegaan op de toegangsprocedure. Voor beschermd wonen (en opvang) geldt dat iedere ingezetene van Nederland zich voor deze ondersteuning tot het college van de gemeente Amersfoort kan wenden. De gemeente Amersfoort heeft de centrumfunctie ten aanzien van opvang en beschermd wonen voor gemeenten in de regio die onder werking van de centrumgemeente Amersfoort vallen. De gemeente Baarn heeft de gemeente Amersfoort gemandateerd om namens haar gemeente beschikkingen af te geven voor beschermd wonen. Op basis van de ingediende ondersteuningsvraag vindt het onderzoek plaats naar de aard en omvang van de gevraagde ondersteuning. Om maatwerk te kunnen bieden zal de gemeente in samenspraak met de inwoner en zijn netwerk op zoek gaan naar de échte en meer integrale ondersteuningsvraag en –op basis van dat inzicht- naar een in die situatie passend ondersteuningsaanbod. Bij de melding van de hulpvraag informeert de gemeente de inwoner over de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. In dit plan kan de inwoner (al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk) de omstandigheden en welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen, beschrijven. Dit plan wordt door de gemeente meegenomen in het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte. De ondersteuning die de gemeente kan bieden, kan bestaan uit het ondersteunen van de inwoner om regie over zijn eigen situatie te voeren, het bieden van algemene (vrij toegankelijke) voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen/ individuele voorzieningen. Bij een maatwerkvoorziening kan het gaan om ondersteuning in natura of om ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).Naast de toegang tot zorg en ondersteuning via de gemeente, wordt in de Jeugdwet de mogelijkheid geboden van toeleiding via professionals, door gecertificeerde instellingen, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. Als laatste kan ook het Algemeen Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK) toeleiding verzorgen. Toegang jeugdhulp via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt dat jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 3.2). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 2.2). Artikel 2.5 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing. Toegang jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via de advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Artikelsgewijze toelichting Aanhef De toepasselijke wetten in het sociaal domein vormen geen samenhangende eenheid. Wij hebben de opdracht, om tot een integrale benadering te komen voor de inwoners van Baarn. Bij het nemen van besluiten kijken we naar het doel van de wetgeving, het effect van het besluit op de andere leefdomeinen en de zorgplicht die de gemeente heeft. Waar de regelgeving lijkt te conflicteren, is onze visie van groot belang voor een te nemen besluit. Deze visie is verwoord in de aanhef van deze verordening en is gebaseerd op de eerder door ons vastgestelde visie op het sociaal domein, het Verdrag inzake de Rechten van het kind en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. We vinden het belangrijk dat iedere inwoner jonger dan 18 jaar actief kan deelnemen aan de samenleving, in staat is een bevredigend, volwaardig en behoorlijk leven te leiden en toegang heeft tot de (gezondheids)zorg, onderwijs, training en sport die hij of zij nodig heeft. Voor gehandicapten en chronisch zieken is de toegankelijkheid van het (zorg)aanbod van groot belang. Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1.1 Toepassing en begrippen In deze verordening worden de wettelijke begrippen als bekend verondersteld. De begripsbepalingen opgenomen in de verordening zijn daarom beperkt tot enkel aanvullende begrippen. Artikel 1.2. Het bieden van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp heeft betrekking op ingezetenen van de gemeente Baarn. Het tweede lid bepaalt wie als ingezetene worden aangemerkt. Voor beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang geldt dat iedere ingezetene van Nederland zich voor deze ondersteuning tot het college van de gemeente Amersfoort kan wenden. De gemeente Amersfoort heeft de centrumfunctie ten aanzien van opvang en beschermd wonen voor gemeenten in de regio die onder de werking van de centrumgemeente Amersfoort vallen. Hoofdstuk 2: Procedure en criteria Artikel 2.1 Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp via de gemeente In dit artikel delegeert de raad de vaststelling van procedureregels voor het proces van melding van een hulpvraag tot en met de aanvraag van een voorziening aan het college. Zoals artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 voorschrijft, is er een uitzondering voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Dit geldt ook voor jeugdigen. Artikel 2.2 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting. Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het college een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben. Artikel 2.3 Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wmo 2015. De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Artikel 2.4 Advisering Als dat voor het onderzoek nodig is, kan een externe adviseur worden gevraagd op bepaalde aspecten van het onderzoek te adviseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de beoordeling van iemands medische of psychische situatie in relatie tot de ondersteuningsvraag. Dat kan het geval zijn tijdens de melding of nadat de aanvraag is ingediend. Aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de cliënt beperkingen ondervindt die objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (zie centrale raad van beroep, 26-11-2009, zk.nmr 09-5702 WMO-VV, CRVB:2009:BK4567 en 10-10-2012, zk.nmr 11-5873 WMO, CRVB:2012:BY0324). In het geval van een woningaanpassing kan het college ook om advies vragen om bijvoorbeeld vast te laten stellen wat de goedkoopst passende bijdrage is. De cliënt wordt geacht medewerking te verlenen aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (zie centrale raad van beroep, 17-10-2012, zk. Nmr 10-5275 WMO, CRVB:2012:BY0448). De hier bedoelde plicht geldt ook voor de huisgenoten als aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend. Artikel 2.5 Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel is de essentie opgenomen die in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Artikel 2.6.A Beschermd Wonen Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen indien de cliënt is aangewezen op ondersteuning in een beschermende woonomgeving (inclusief noodzakelijk verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Die kan betrekking hebben op onder meer het psychisch en psychosociaal functioneren of een psychiatrisch ziektebeeld en zich manifesteren op verschillende levensgebieden Verder is beschermd wonen primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de cliënt er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de cliënt het PGB wenst te besteden aan een niet-gecontracteerde aanbieder. Het college stelt daarover nadere regels. Het kan zijn dat de cliënt, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook cliënten zijn die levenslang afhankelijk zijn van ondersteuning met noodzakelijk verblijf.] Artikel 2.6.B Criteria voor overige maatwerkvoorzieningen maatschappelijke ondersteuning In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in de Wmo 2015 centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning. In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig, omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. In lid 5 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een compenserende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst compenserende voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. Artikel 2.7.A Regels voor persoonsgebonden budget Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1 tot en met artikel 8.1.8 van de Jeugdwet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting voor het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met deze motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Voordat een cliënt een pgb kan aanvragen, is in een gesprek reeds geconstateerd dat hij een maatwerkvoorziening nodig heeft. Een pgb wordt verstrekt als de cliënt heeft gemotiveerd dat in zijn geval de maatwerkvoorziening als pgb de voorkeur heeft boven een verstrekking in natura. Hiertoe dient de aanvrager een budgetplan met (financiële) onderbouwing in bij de gemeente. Het budgetplan gaat ook in op de kwaliteit van de voorziening waarop het betrekking heeft en aan welk resultaat de voorziening bijdraagt. Het pgb is een geschikt instrument voor mensen die in staat zijn om zelf de regie te voeren over de inkoop van zorg en ondersteuning en de organisatie hiervan. Hierbij is wel van belang dat cliënten goed begrijpen wat het betekent om budgethouder te zijn. De medewerker van de gemeente/ het Lokaal Team vormt zich een oordeel over de bekwaamheid van aanvrager om de taken en verantwoordelijkheden die verbonden zijn aan een pgb verantwoord uit te voeren. De PGB-zelftest van “Per Saldo” kan hierbij dienen als toetsingskader. Lid 2 geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. Lid 3 berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onder c van de Jeugdwet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Artikel 2.7.B. Persoonsgebonden Budget Beschermd Wonen De indicatie voor beschermd wonen bestaat, naast de beschermende woonomgeving (het noodzakelijke ver-blijf) uit niveaus van bijbehorende noodzakelijke ondersteuning. Bij het stellen van de indicatie wordt bepaald waar de cliënt op is aangewezen. In het geval van overgangsrecht kan het oude tarief (75%) aan de orde zijn. Het kan dat de cliënt in aanmerking komt voor een PGB, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Wordt het PGB besteed aan een accommodatie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen (zie art. 4.9 van de verordening), dan kan het zijn dat de hoogte van het PGB als bedoeld in het eerste lid niet toereikend is. Voor die gevallen kan het college een aanvullende toeslag verstrekken in de vorm van een wooninitiatieventoeslag. Deze cliënten zijn doorgaans zelf kosten verschuldigd die te maken hebben met de beschermende woonomgeving, zoals woonkosten. Deze wooninitiatieventoeslag is bestemd voor kosten die gemaakt moeten worden voor het organiseren van de ondersteuning van PGB-houders, de gemeenschappelijke ruimte en infrastructuur in het kader van doelmatige ondersteuning. Daarbij geldt vanzelfsprekend dat deze kosten niet gefinancierd kunnen worden uit het PGB of andere voorliggende oplossingen of voorzieningen. Artikel 2.8 Regels voor het berekenen van de hoogte van een persoonsgebonden budget Dit artikel geeft regels voor de wijze van berekening van de hoogte van de tarieven voor pgb’s voor afzonderlijke maatwerkvoorzieningen. De hoogte van het pgb De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van door het college vastgestelde tarieven voor de verschillende soorten dienstverlening Deze tarieven worden door het college jaarlijks vastgesteld in het Financieel Besluit Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp Baarn en zijn een gemiddelde van de met de aanbieders overeengekomen tarieven per onderdeel in het betreffende jaar. Het toegekende pgb kan nooit hoger zijn dan het vastgestelde tarief. Indien de cliënt toch duurdere voorzieningen wil gaan inkopen, dan dient de cliënt de meerkosten voor eigen rekening te nemen. Voor het vaststellen van de hoogte van de pgb’s voor maatwerkvoorzieningen (persoonlijke verzorging, begeleiding (individueel en groep) en kortdurend verblijf c.q. respijtzorg is aansluiting gezocht bij de AWBZ-tarieven. Voor het vaststellen van de hoogte van het pgb voor inzet van een mantelzorger is aansluiting gezocht bij het beleid van Mezzo (brancheorganisatie van organisatie van Mantelzorg) en de Wet langdurige zorg. Ook is rekening gehouden met gangbare tarieven in de regio voor professionele ondersteuning. Bij de vaststelling van de tarieven voor dienstverlening wordt een onderscheid gemaakt tussen zorgverlening door professionals in dienst van een instelling, professionals niet in dienst van een instelling en niet professionals (zoals werkstudenten, sociaal netwerk). Het pgb voor dienstverlening door professionals in dienst van een instelling bedraagt het door het college vast te stellen tarief. Voor dienstverlening door professionals niet in dienst van een instelling (zelfstandig werkende zorgverleners/hulpverleners) wordt uitgegaan van 75% van het vastgestelde tarief omdat deze professionals lagere overheadkosten hebben. Voor de categorie niet professionals hanteert het college een bedrag van 50% van het vastgestelde tarief. De gemeente keert een “bruto” pgb uit aan het SVB, hierop is geen eigen bijdrage in mindering gebracht. Onderdeel a: De zaak/ het product die de aanvrager zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou worden verstrekt (onderdeel a) kan in bepaalde gevallen ook een tweedehands voorziening betreffen. Als dat zo is, dan worden de kostprijs en afschrijvingstermijn daarop gebaseerd. Bij de onderdelen b en c maakt de gemeente onderscheid tussen welke persoon de ondersteuning levert. Voor een vrijwilliger of persoon die niet is opgeleid voor de betreffende werkzaamheden, wordt bij het vaststellen van de hoogte van het pgb een lager tarief gehanteerd dan voor een daarvoor opgeleid persoon. Waar bijzondere deskundigheid is vereist, wordt in sommige gevallen nog weer een ander tarief gehanteerd. Het tarief wordt daarbij telkens bepaald op basis van het in de regio overeengekomen tarief in natura. Voor de hoogte van de pgb’s wordt vanwege verschillende toe te rekenen kostencomponenten, onderscheid gemaakt tussen de inzet van: • professionals in dienst van een instelling met een 100% van het ZiN pgb-tarief, • professionals niet in dienst van een instelling met een 75% van het ZiN pgb-tarief - vanwege minder of nauwelijks overhead), en • niet-professionals/ particulieren (mantelzorgers of mensen uit de kring van het eigen netwerk van de cliënt) met een 50% van het ZiN pgb-tarief. Hierbij is eerder al aansluiting gezocht bij het beleid van Mezzo (brancheorganisatie van organisatie van Mantelzorg) en tevens is rekening gehouden met gangbare tarieven in de informele markt. Voor hulp bij het huishouden hanteert de gemeente Baarn twee pgb-categorieën: een tarief voor professionals in dienst van een instelling en een particulierentarief. Professionals niet in dienst van een instelling zijn hier namelijk altijd particulieren. Artikel 2.9 Regels voor inzet van een persoonsgebonden budget voor ondersteuning uit het sociaal netwerk Dit artikel maakt het mogelijk dat het pgb – onder voorwaarden – kan worden benut voor de bekostiging van inzet vanuit het sociale netwerk. Hoofdstuk 3: Voorzieningen Artikel 3.1 Algemene voorzieningen In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene- (vrij-toegankelijke) en maatwerk(niet vrij-toegankelijke) voorzieningen. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene (vrij-toegankelijke) voorziening. Hier kunnen de cliënten gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. Artikel 3.2 Individuele voorzieningen: vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente. Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente (artikel 4) of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder (artikel 3) eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp. Een voorziening kan daarom een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. In deze verordening worden de algemene categorieën genoemd. Vanwege de ontwikkelingen op het gebied van zorg en ondersteuning zullen vormen van jeugdhulp aan verandering onderhevig zijn. In nadere regels wordt dit uitgewerkt en ter besluitvorming aan college voorgelegd. Hiermee wordt flexibiliteit beoogd in de ontwikkeling van vormen van jeugdhulp de komende jaren. Artikel 3.3 Vertrouwenspersoon Jeugd In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) zal een nadere uitwerking worden gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon. Artikel 3.4 Maatwerkvoorzieningen: vormen van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 3.5 Primaat van verhuizen In geval van een indicatie voor een woningaanpassing en/of een traplift geldt het principe van het primaat van verhuizen. Dit betekent dat verhuizen naar een passende woning voorrang heeft op het verstrekken van een woningaanpassing. In voorkomende gevallen beoordeelt het college de mogelijkheden hiertoe. Deze beoordeling blijft achterwege als het college vaststelt dat verhuizen binnen een medisch aanvaardbare termijn niet mogelijk is. Om te voorkomen dat bij een relatief eenvoudige niet kostbare woningaanpassing het verhuisprimaat altijd wordt toegepast, wordt ook een afweging gemaakt of een verhuizing redelijkerwijs van iemand kan worden gevraagd. Het is niet mogelijk om een overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die hierbij een rol spelen, omdat iedere situatie anders is. Artikel 3.6 Primaat vervoersvoorzieningen In geval van een indicatie voor een vervoersvoorziening geldt het principe van het primaat van collectief vervoer. Dit betekent dat eerst wordt afgewogen of van het reguliere openbaar vervoer gebruik gemaakt kan worden, vervolgens worden de mogelijkheden van het gebruik van de Regiotaxi overwogen. Het college kan een vervoersvoorziening en/of een gebruikerspas Regiotaxi verlenen voor respectievelijk ‘de korte afstand’ en voor de wat ‘langere afstand’ binnen de leefomgeving van de cliënt. De Regiotaxi geldt als aanvullend openbaar vervoer en zal in de meeste gevallen als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt. De cliënt die gebruik maakt van Regiotaxi is daarvoor een ritbijdrage verschuldigd. Het gaat om algemeen gebruikelijke kosten, omdat iedereen die gebruik maakt van het Openbaar Vervoer daarvoor ook moet betalen. Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt in staat gesteld tot participatie. Onder de leefomgeving in het kader van dit artikel wordt 10-15 kilometer rondom de woning verstaan (vergelijk CRVB:2009:BH4270 en CRVB:2010:BL4037). Het uitgangspunt qua omvang is bepaald op 2000 kilometer per jaar. Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom bevoegd in individuele gevallen af te wijken. Dat zou bijvoorbeeld (ook) het geval kunnen zijn als er meer dan één vervoersvoorziening wordt verleend en met deze voorzieningen tezamen 2000 kilometer op jaarbasis kunnen reizen bereikt kan worden. Artikel 3.8 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen In dit artikel zijn regels opgenomen over de bevoegdheid van het college een tegemoetkoming in de meerkosten te verlenen aan de genoemde doelgroep die een beperkte financiële draagkracht heeft. De wet biedt het college geen andere mogelijkheid om forfaitaire bedragen (meerkosten) rechtstreeks aan de cliënt te kunnen uitbetalen. De bevoegdheid om een tegemoetkoming meerkosten te verlenen vormt daarom bij uitstek maatwerk in het individuele geval. Een forfaitaire tegemoetkoming kan meer op zijn plaats zijn dan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura. De mogelijkheid van het verlenen van een tegemoetkoming meerkosten is verder begrensd tot een aantal kostensoorten. Hoofdstuk 4: Bijdrage in de kosten voor maatschappelijke ondersteuning Artikel 4.1 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Als hoofdregel geldt dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In tegenstelling tot de Wmo 2007 biedt de Wmo 2015 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing (in natura of als PGB) wordt verleend voor een minderjarige. Voor de hoogte van de bijdrage wordt vanzelfsprekend aansluiting gezocht bij het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 Hierin is opgenomen dat het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s is gelimiteerd tot een bedrag van maximaal € 17,50 per periode van 4 weken. Het derde lid geeft het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen waaronder begrepen het bepaalde in dit lid. De kostprijs is bepalend voor de hoogte van de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd is. De bijdrage in kosten voor een maatwerkvoorziening mag niet meer bedragen dan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de Wmo 2015, of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de maatwerkvoorziening. De kostprijs van het PGB is gelijk aan de hoogte van het PGB. Artikel 4.2 Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen De Wmo 2015 maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de verordening wordt bepaald welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. De gemeente heeft er belang bij dat de algemene voorziening (financieel) laagdrempelig is, om daarmee een beroep op duurdere zorg te voorkomen. Hoofdstuk 5: Kwaliteit, veiligheid en terugvordering Artikel 5.1 Kwaliteitseisen Deze bepaling is een uitwerking van de verordeningsplicht van de wet: in de verordening wordt in ieder geval bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, zijn daarbij uitgangspunt. Artikel 5.2 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden maatschappelijke ondersteuning Bij verordening moeten regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De regels hebben tot doel dat een vaste prijs of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de wet) en de gecontracteerde aanbieders (artikel 3.1 van de wet). Dit artikel is een aandachtspunt bij overleg in regioverband over inkoop door Regionaal Bureau Inkoop Amersfoort. De kostprijselementen waar het college ten minste een vaste prijs of reële prijs op moet baseren zijn de kosten van de beroepskracht, redelijke overheadkosten en overige kostprijselementen. Voor de uitvoeringspraktijk bestaan handreikingen over de normering van kostprijselementen die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs. Lid 1:Hierin wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Lid 2: Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst en met de continuïteit in de hulpverlening. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen. Lid 4: Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 18. Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Lid 5: Dit lid is niet verplicht op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en is hier opgenomen ter wille van de leesbaarheid en de samenhang van het hele artikel 18. Het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 van de wet en artikel 1 van de toelichting bij deze verordening). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel 5.3 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 5.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld maatschappelijke ondersteuning In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Artikel 5.5 Misbruik of oneigenlijk gebruik, nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering Voor de cliënt geldt een wettelijke plicht op grond van artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en 2.3.8 van de Wmo 2015 tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maat-werkvoorziening dan wel PGB. Sinds 1 augustus 2016 geldt deze verplichting (in geval van een PGB) ook jegens de SVB. Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken van het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een andere besluit zou hebben geleid indien de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt. Verder kan het niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het PGB (artikel 2.7 van de verordening/ nadere regels college) leiden tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit. In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten (of in dat artikel bedoelde derden). Namelijk indien de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Daarmee heeft de wetgever verzuimd om in gevallen waarin anderszins ten onrechte een maatwerkvoorziening wordt verleend of tot een hoog bedrag in de vorm van een PGB is betaald niet kan worden teruggevorderd. Voor die gevallen is een bevoegdheid neergelegd in dit artikel. Uit de uitspraak van de centrale raad van beroep van 17-5-2006, 04-2122 ZW, CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Of sprake is van onverschuldigde betaling (artikel. 6:203 e.v. van het burgerlijk wetboek) zal in de praktijk geen problemen opleveren, mits het college een herzienings- of intrekkingsbesluit neemt. Dit artikel biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening. Naast met het oog op de beoordeling van de kwaliteit, dient het college, al dan niet steekproefsgewijs, ook te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder. Hieraan staat behoefte omdat bij twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 van de Wmo 2015 onvoldoende houvast biedt. Op grond hiervan kan het college periodiek (ook) onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Artikel 5.6 Opschorting betaling uit het pgb Met deze regeling wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van pgb’s te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Door middel van opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de Sociale Verzekeringsbank (SVB) te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de verordening toegevoegd. De termijn van ten hoogste dertien weken sluit aan bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wet langdurige zorg. Hoofdstuk 6 Waardering mantelzorgers Artikel 6.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De verordening moet in ieder geval voorzien in een procedure die waarborgt dat alle mantelzorgers, die voldoen aan de voorwaarden, voor het ontvangen van een blijk van waardering in aanmerking kunnen worden gebracht. Artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van “cliënten in de gemeente”. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Verder is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook kan gaan om mantelzorgers die in andere gemeenten wonen. In dit artikel stelt de raad een maximumaarde vast en delegeert de vaststelling van de wijze van waardering naar het college om te bepalen waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat. Het gaat hier om de individuele waardering van mantelzorgers. Hoofdstuk 7 Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 7.1 Klachtregeling maatschappelijke ondersteuning Dit artikel gaat over het klachtrecht. De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De gemeente Baarn heeft een klachtenregeling op basis waarvan klachten over gedragingen van ambtenaren worden beoordeeld. Ook het uitblijven van een reactie op de lange tijdsduur van de behandeling van een verzoek vallen onder het begrip klacht. Sinds januari 2002 is de gemeente Baarn aangesloten bij de Nationale Ombudsman in Den Haag. Als de klacht niet naar tevredenheid is behandeld, kan de klager zich wenden tot de Nationale Ombudsman. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen. Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Artikel 7.2 Klachtregeling jeugdhulp In 2015 is er een regionale klachtencommissie Jeugd Eemland ingesteld. Artikel 7.3 Medezeggenschap De aanbieder is ten aanzien van maatwerkvoorzieningen verplicht een regeling voor medezeggenschap van cliënten vast te stellen over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. Het gaat om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder (art. 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels aan gemeenten overgelaten. Het college ziet er hoe dan ook op toe dat dit ook daadwerkelijk gebeurt (lid 2). Artikel 7.4 Betrekken van ingezetenen bij het beleid In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het beleid op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Hoofdstuk 8: Overgangsregeling en slotbepaling Artikel 8.1 Nadere regelingen In dit artikel wordt verduidelijkt dat het college nadere regelingen kan opstellen over de uitvoering van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn 2019. Deze nadere regelingen staan in de Nadere regels verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn, Het Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Baarn en de Beleidsregel Beschermd Wonen Baarn. Artikel 8.2 Intrekking oude verordening en overgangsrecht In het derde lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het vierde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het vijfde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan. Artikel 8.3 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel