Naar hoofdinhoud
1.. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor een pgb wordt verstrekt, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en de samenstelling van zijn huishouden. 2.. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.. Voor alle maatwerkvoorzieningen, geleverd in de vorm van natura of in de vorm van een pgb is een eigen bijdrage verschuldigd, met uitzondering van: (sport) rolstoel; maatwerkvoorzieningen voor personen jonger dan 18 jaar; als de maatwerkvoorziening gerealiseerd wordt in een woongebouw waarvan de woning van cliënt onderdeel uitmaakt, én voor zover de voorziening betrekking heeft op het toe- en/of doorgankelijk maken van het woongebouw; financiële tegemoetkoming; de kostprijs van de eenmalig te verstrekken maatwerkvoorziening lager is dan € 250,=; alle gevallen zoals omschreven in de wet evenals artikel 3.8, lid 4 van het uitvoeringsbesluit Wmo. 4.. De kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding na consultatie in de markt. 5.. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door het CAK vastgesteld en geïnd, de voorziening maatschappelijke opvang uitgezonderd. 6. . Voor maatwerkvoorzieningen in bruikleen en woningaanpassingen wordt een eigen bijdrage in rekening gebracht gelijk aan 100% van de kostprijs van de voorziening. De eigen bijdrage is verschuldigd gedurende vastgestelde levensduur van de maatwerkvoorziening. In het geval van herverstrekking wordt de kostprijs van de maatwerkvoorziening bepaald op basis van de restwaarde. 7. . De eigen bijdrage voor personen die verblijven in een instelling voor beschermd wonen wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 3.11 tot en met 3.19 van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De bijdrage is onder andere afhankelijk van inkomen en vermogen van cliënt. 8. . In aanvulling op lid 1 geldt voor de eigen bijdrage voor personen die verblijven in een instelling voor maatschappelijke opvang de bepaling over zak- en kleedgeld en zorgtoeslag ingevolge artikel 3.20 van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 9. . De eigen bijdrage mag niet worden betaald uit het pgb. 10. . Bij overname van een voorziening van een andere gemeente is voor het vernamebedrag een eigen bijdrage verschuldigd, voor zover de voorziening nog niet is afgeschreven. De eigen bijdrage wordt berekend over de restwaarde van de voorziening. 11. . Indien de voorziening regiotaxi wordt toegekend ontvangt de cliënt een vervoerspas. Met de vervoerspas kan de cliënt 600 zones per jaar reizen tegen een gereduceerd tarief. Indien andere vervoersvoorzieningen zijn toegekend wordt maximaal 200 zones toegekend. Voor de opstapzone en de eerste drie gereisde zones per rit geldt een gereduceerd tarief. Het opstaptarief bedraagt € 0,70 (gereduceerd tarief). Voor gebruik van de regiotaxi is de cliënt per verreden zone een ritbijdrage verschuldigd van € 0,70; voor de vierde en vijfde zone van eenzelfde rit geldt het dubbele tarief.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel